← Week 49

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 december 2025

Enquête: tegenstrijdig belang bestuurder en vermogensrechtelijk geschil; A-G concludeert tot verwerping

  • Enquêterecht
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêteprocedure wilden aandeelhouders die tevens bestuurders waren een onderzoek naar een houdstermaatschappij, na een besluit over een transactie met de grootste financier waarbij zij van de besluitvorming waren uitgesloten. De OK wees de verzoeken af. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Volgens hem beslissen bij een meerhoofdig bestuur in beginsel de medebestuurders zonder tegenstrijdig belang of een bestuurder is geconflicteerd, en valt een in de kern vermogensrechtelijk geschil over niet-nakoming van afspraken buiten het enquêterecht.

Kernoverwegingen

“Dat dit deel van de parlementaire geschiedenis in totaliteit bezien veeleer de andere kant uitwijst dan door het subonderdeel wordt gesuggereerd, blijkt uit de pagina voorafgaand aan die welke het subonderdeel noemt. Daar wordt door de minister als volgt ingegaan op een in de literatuur gedaan voorstel tot wijziging van art. 2:239 lid 6 BW uit het voorontwerp: Het voorstel van Franken laat ruimte aan de bestuurder om te bepalen of er een tegenstrijdig belang is en daarnaast of dat tegenstrijdige belang zodanig belangrijk is dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich uitsluitend zal laten leiden door het vennootschappelijke belang. Die laatste afweging wil ik echter niet neerleggen bij de bestuurder met een tegenstrijdig belang omdat het eerdergenoemde risico van belangenverstrengeling dan te groot blijft. Het wetsvoorstel heeft daarom als uitgangspunt dat een tegenstrijdig belang altijd consequenties heeft voor de besluitvorming. Dat laat onverlet dat die consequenties kunnen worden beperkt tot dat deel van de besluitvorming waarbij het tegenstrijdige belang speelt. Deze passage laat zich m.i. het beste zo verstaan dat, waar bij een bestuurder mogelijk sprake is van een tegenstrijdig belang (dus in de zin van art. 2:239 lid 6 BW), de minister de beslissing voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW óf die bestuurder daadwerkelijk zo’n tegenstrijdig belang heeft niet wil neerleggen bij die bestuurder zélf (dus evenmin de bevoegdheid dienaangaande), omdat het door de […]”

r.o. 3.7.12

“Ik maak hieruit onder meer op dat volgens Nieuwe Weme & Salemink bij een vennootschap zonder raad van commissarissen en met een meerhoofdig bestuur “het bestuur” bevoegd is om voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW te beslissen of de betrokken bestuurder, dus die met een mogelijk tegenstrijdig belang, daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft (dus in de zin van die bepaling); dit behoudens een regeling in de statuten of een reglement van de vennootschap die hierin op andere wijze voorziet. Anders gezegd: ontbreekt zo’n regeling, dan heeft het bestuur die bevoegdheid (ik begrijp: de medebestuurder(s) bij wie de tegenstrijdigbelangvraag niet speelt, daarbij beslissend buiten aanwezigheid van de betrokken bestuurder). Zij schrijven niet dat die bevoegdheid van het bestuur een basis in zo’n regeling behoeft, laat staan dat die bevoegdheid in uitgangspunt ligt bij de betrokken bestuurder. Hun vertrekpunt is dat Boek 2 BW geen regels bevat over het (melden en) vaststellen van een tegenstrijdig belang, en dat in de statuten of een reglement van de vennootschap een regeling hiervoor kan worden opgenomen. Verder lees ik in deze passages onder meer dat in hun optiek het bestuur (dat komt dan weer neer op die medebestuurder(s)) gehouden is de bestuurder met het tegenstrijdig belang, als dit laatste is vastgesteld, de deelname aan de beraadslaging en besluitvorming van het bestuur te ontzeggen. Dit een en ander acht ik, gezien ook 3.7.3-3.7.20 hiervoor, bepaald goed verdedigbaar.Bij […]”

r.o. 3.7.22

“Voor zover deze stellingen zijn toegespitst op [betrokkene 1] , respondeert de OK daarop in het bestreden oordeel met de overwegingen: (i) dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat “ [betrokkene 1] persoonlijk” een belang zou hebben bij aanvaarding door Getir van de door Mubadala voorgestelde transactie; (ii) dat [betrokkene 1] als herstructureringsdeskundige werkzaam is voor AlixPartners, een gerenommeerde partij op dat gebied.

Met (i) en (ii) neutraliseert de OK mede de opmerkingen van [verzoeker] : - dat bij aansprakelijkstelling van [betrokkene 1] , Mubadala de kosten (van de doorlopende beloning van AlixPartners) voor haar rekening neemt (zie de spreekaantekeningen, nr. 2.11 onder (iii)); - dat Mubadala op voorhand heeft aangegeven dat zij “de Executive Directors”, dus mede [betrokkene 1] , zal steunen als zij worden aangesproken op het nemen van voornoemde besluiten (zie nr. 2.11 onder (vi)). Dit is prima te volgen. Uit die opmerkingen volgt immers nog niet dat [betrokkene 1] , werkzaam als herstructureringsdeskundige voor AlixPartners, als uitvoerend bestuurder van Getir persoonlijk een voor art. 2:239 lid 6 BW relevant belang heeft bij aanvaarding door Getir van de voorgenomen transactie. Met (ii) brengt de OK verder tot uitdrukking dat hier geen sprake is van een situatie waarin “de wederpartij van de rechtspersoon de continuïteit van het inkomen van die bestuurder waarborgt” (zie de spreekaantekeningen, nr. 2.11, derde zin). Ook dit is prima te volgen. [betrokkene 1] […]”

r.o. 3.21.1

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:1334
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
5 december 2025
Datum publicatie
11 december 2025
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:239 BW, 2:239a BW, 2:8 BW, 2:344 BW, 2:350 BW
Thema
Enquêterecht, Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 49 van 2025

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.