← Week 5

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 31 januari 2025

Overheidsstichting hoeft reserves niet af te dragen aan Land Curaçao

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Het Land Curaçao vorderde van een stichting waarin het kadaster is ondergebracht afdracht van haar opgebouwde reserves, onder meer op grond van de redelijkheid en billijkheid in het rechtspersonenrecht (artikel 2:7 BWC Curaçao). De A-G concludeert dat een overheidsstichting gewoon een stichting naar Boek 2 is, dat het vermogen haar zelf toebehoort en dat geen grondslag voor afdracht bestaat. Afdracht zou bovendien in strijd zijn met de uitkeringsbeperking voor stichtingen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Bij het opzetten en inrichten van een stichting die een publieke taak vervult, heeft de overheid in principe te maken met de beperkingen die de rechtspersoonlijkheid van de betrokken stichting en de verdere daarop toepasselijke regels van rechtspersonenrecht (zoals die van Boek 2 BWC) meebrengen. Overheidsstichtingen zijn dus gewoon stichtingen in de zin van de wet, zoals in voorkomend geval Boek 2 BWC. Dit brengt verder met zich dat het bestuur van de stichting aan de bestuurders toekomt, die zich ook te richten hebben naar het belang van de stichting (en dus niet naar het algemeen belang in generieke zin). De stichting kan dus niet, althans niet zonder daartoe strekkende wetgeving, geheel ondergeschikt en volledig dienstbaar aan de overheid worden gemaakt.”

r.o. 3.36

“In het licht van 3.3-3.98 hiervoor kan ik thans een tussenbalans opmaken. Ik vat samen. (i) De Stichting is volledig onderworpen aan het Curaçaose rechtspersonenrecht. Op de voet van art. 2:3 lid 1 BWC staat de Stichting als rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft met een natuurlijk persoon gelijk, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit. (ii) In lijn daarmee zijn de door de Stichting in het kader van haar verrichtingen “geïnde gelden” tot haar vermogen gaan behoren welk vermogen aan haar toekomt, strokend ook met (art. 3 lid 1 van) haar statuten (die ten grondslag liggen aan het machtigingsbesluit van de eilandsraad en in zoverre democratisch zijn gelegitimeerd). De hier toepasselijke publiekrechtelijke wet- en regelgeving biedt geen grondslag voor een uitzondering daarop, integendeel. De mogelijkheid van een vermogensrechtelijke uitzondering, specifiek via een houderschapsconstructie, is in deze zaak niet aan de orde. (iii) Het Curaçaose rechtspersonenrecht biedt hier geen grondslag voor een verplichting van de Stichting jegens het Land tot (al dan niet desverzochte) afdracht van haar reserves aan het Land, integendeel. Hetzelfde geldt voor de hier toepasselijke Curaçaose regeling inzake overheidsstichtingen en Curaçaose wet- en regelgeving voor de Kadaster- en registerwerkzaamheden van de Stichting. Zo’n grondslag volgt hier ook niet uit overeenkomst, de Landsverordening openbare registers of art. 3:30 BWC. Zijdens de Stichting bij het Land gewekte […]”

r.o. 3.99

“Daarbij betrek ik dat het belang van de Stichting, via haar statutaire doel, dat van groot gewicht is en dit belang sterk bepaalt, zwaar weegt bij de toepassing van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:7 lid 1 BWC. En verder dat deze bepaling evenzogoed geldt voor het Land in verhouding tot de Stichting, wat insluit, kort gezegd, dat het Land in dit kader op passende wijze rekening dient te houden met het belang van de Stichting. Dat het gaat om de bestaande situatie, die anders is dan bijvoorbeeld de hypothetisch-toekomstige situatie waarop het hof doelt in rov. 2.9, eerste zin TV. Dat hieraan naar de aard niet afdoet ’s hofs vervolgoverweging in rov. 2.9, tweede t/m vijfde zin TV - voortbouwend op die eerste zin - dat de werkzaamheden van de Stichting een algemeen deelbelang dienen nu de taak die zij uitvoert als een overheidstaak valt te kwalificeren, welk deelbelang is afgeleid van het algemeen belang dat het Land dient. En dat bezien vanuit art. 2:7 lid 1 BWC terughoudendheid past bij een rechterlijke beoordeling van die bestaande situatie, waarin (het bestuur van) de Stichting, ondanks de door het Land uitgeoefende druk buiten en in rechte, ervoor kiest niet mee te gaan met de zijdens het Land beoogde afdracht van haar reserves, maar deze vooralsnog te behouden vanwege en ten behoeve van (de continuïteit van) de door haar te vervullen Kadaster- en registertaken ten bate van de Curaçaose samenleving. 3.107 Bij dit laatste verdient nog opmerking dat door de […]”

r.o. 3.106

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:135
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
31 januari 2025
Datum publicatie
6 februari 2025
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:3 BWC, 2:7 BWC, 2:50 BWC, 2:8 BW, 2:285 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 5 van 2025

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.