Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 maart 2025
Enquête joint venture: afwijzing nadere onmiddellijke voorzieningen jegens bestuurder Duitse dochter
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure over een Nederlandse joint-venturevennootschap met Duitse groepsvennootschappen vroeg de vennootschap om nadere onmiddellijke voorzieningen tegen een bestuurder van Duitse dochters, onder meer om vrijgave van geblokkeerde gelden te bevorderen. De OK wees dit af en ook het tegenverzoek tot opheffing van eerdere voorzieningen. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: de OK is niet bevoegd een bevel te geven aan een bestuurder in die hoedanigheid bij een buitenlandse rechtspersoon, omdat dit buiten de territoriale reikwijdte van het enquêterecht valt (artikel 2:349a BW; artikel 2:8 BW). Hij geeft toepassing van artikel 81 RO in overweging.
Kernoverwegingen
“Uit rov. 3.2 blijkt dat de OK de verzochte voorziening 2.1.i zo verstaat dat daarmee op de voet van art. 2:349a lid 2 BW wordt ingegrepen bij een Duitse rechtspersoon (MOD), via een bepaald bevel aan [verweerder 2] specifiek in hoedanigheid van bestuurder van die rechtspersoon naar buitenlands recht. Deze - in cassatie onbestreden - uitleg is, gelet ook op de tekst van de desbetreffende verklaring, goed te volgen. Uit rov. 3.2 blijkt verder dat de OK dit verzoek afwijst, omdat zij niet bevoegd is zo’n onmiddellijke voorziening te treffen bij die buitenlandse rechtspersoon: dit valt buiten de territoriale reikwijdte van het enquêterecht.”
r.o. 3.5.3
“Het oordeel van de OK in rov. 3.1-3.3 van de mei-beschikking dat zij bij de daarin uiteengezette stand van zaken niet bevoegd is de verzochte voorziening 2.1.i te treffen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dan doet immers opgeld, naar de OK onderkent, de hoofdregel dat zij niet bevoegd is op de voet van art. 2:349a lid 2 (of lid 3) BW een onmiddellijke voorziening te treffen bij een rechtspersoon naar buitenlands recht. Anders gezegd: dan ontbreekt, naar zij onderkent, grond voor een uitzondering op die hoofdregel.”
r.o. 3.6.1
“Dit wordt evenmin anders door de stelling (onder “Feitelijke en juridische context”) dat het bestreden oordeel is gebaseerd op een “miskenning” van de “juridische context” van het geschil. Met dit laatste doelt de klacht kort gezegd (i) op inhoud, doel en strekking van de enquêteprocedure, waarin het belang van de rechtspersoon centraal staat en het bij de toepassing vooral aankomt op de economische werkelijkheid, en (ii) op de bijzondere aard van de onmiddellijke voorzieningen die de OK kan treffen op de voet van art. 2:349a BW. Dit stuit erop af dat de OK in het bestreden oordeel niet voorbijziet aan (i)-(ii), maar onderkent dat zij bij voornoemde stand van zaken nu eenmaal geen bevoegdheid heeft om de verzochte voorziening 2.1.i te treffen, omdat daarmee zou worden ingegrepen bij de Duitse rechtspersoon MOD via een bepaald bevel aan [verweerder 2] als bestuurder van die buitenlandse rechtspersoon, wat hier buiten de territoriale reikwijdte van het enquêterecht valt. Bij een andere opvatting zou, nu (i)-(ii) in algemene zin gelden, de begrenzing van de bevoegdheid van de OK die inherent is aan deze territoriale reikwijdte ook in vergaande mate worden uitgehold. En dat is niet rechtens. Kortom: van die in de klacht bedoelde ‘miskenning’ zijdens de OK is in werkelijkheid geen sprake.”
r.o. 3.6.3