Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 27 juni 2025
Joint venture: schorsing uitvoerend bestuurder, kapitaalstortingsbesluiten en uittreding; verwerping cassatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Geschillenregeling
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een verzuurde maritieme joint venture bestrijdt de verkopende aandeelhouder in cassatie het arrest van de OK, die haar vorderingen goeddeels afwees. De zaak betreft onder meer misbruik van omstandigheden bij de koopovereenkomst, de vernietigbaarheid van besluiten tot kapitaalstorting, de schorsing van de uitvoerende bestuurder en een uittreedvordering. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, onder meer omdat de schorsing terughoudend wordt getoetst aan artikel 2:8 BW en de verstoorde verhoudingen aan de uittredende aandeelhouder zijn te wijten.
Kernoverwegingen
“De klacht gaat, om te beginnen, uit van een onjuiste rechtsopvatting. Zij veronderstelt dat een besluit van de algemene vergadering omtrent een kapitaalstorting, dat wordt genomen terwijl die kapitaalstorting naar het inzicht en de belangen van een aandeelhouder niet reëel voorzienbaar profijtelijk zal zijn voor die aandeelhouder, reeds daarom - dus automatisch - vernietigbaar is uit hoofde van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Er is echter geen rechtsregel die dat meebrengt. De klacht draagt ook geen kenbron daarvan aan, maar alleen het hooguit zijdelings relevante betoog - wat daarvan verder zij - dat aandeelhouders in beginsel recht hebben op uitkering van de winst.”
r.o. 3.71.1
“Aangenomen wordt - het verrast niet - dat schorsing voor de geschorste een ingrijpende maatregel is, die, gezien ook het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW, op feiten of redelijke vermoedens dient te zijn gebaseerd. Te lezen valt bijvoorbeeld ook dat schorsing een onmiddellijke ontheffing uit de bestuursbevoegdheden is, wat spoedeisendheid veronderstelt. En dat van het orgaan dat de bestuurder schorst, verlangd mag worden dat het de gronden voor die schorsing zo spoedig mogelijk aan de betrokkene mededeelt.”
r.o. 3.81.2
“Een deugdelijke grond voor schorsing kan onder meer gelegen zijn in ernstige aanwijzingen dat de bestuurder zich grovelijk heeft misdragen. Een schorsingsbesluit zonder deugdelijke grond kan vernietigbaar zijn, tegen de achtergrond van art. 2:8 lid 1 BW in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Alle relevante omstandigheden moeten in dat verband in de afweging worden betrokken. In ieder geval bij de inhoudelijke rechterlijke toetsing van het schorsingsbesluit pleegt in de praktijk een zekere terughoudendheid in acht te worden genomen, zoals de OK ook betrekt in rov. 3.24.”
r.o. 3.81.3