Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 juli 2025
Commissarisaansprakelijkheid wegens onbehoorlijk toezicht bij onvoorwaardelijke scheepsbouwverplichting; ernstig verwijt en disculpatie
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Twee voormalige commissarissen van een beursgenoteerde NV zijn aansprakelijk gehouden voor onbehoorlijk toezicht, omdat zij niet ingrepen toen het bestuur in strijd met een voorwaarde van de raad van commissarissen een groot scheepsbouwcontract onvoorwaardelijk aanging. De advocaat-generaal beoordeelt in cassatie de maatstaf van artikel 2:9 BW (ernstig verwijt, omstandigheden van het geval, disculpatie) en ook de aansprakelijkheid jegens de overnemende aandeelhouder. Hij concludeert dat alle klachten falen en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Kernoverwegingen
“In rov. 6.21 (in samenhang met rov. 6.3) onderzoekt het hof, met inachtneming ook van dit betoog van [de erven] , of hij aansprakelijk is jegens Fairstar c.s. Dat het antwoord bevestigend luidt, blijkt ook uit rov. 6.21. - In rov. 6.21, eerste alinea zet het hof uiteen waarom het van oordeel is dat het in rov. 6.20 bedoelde betoog van [de erven] niet opgaat, daarbij redenerend vanuit hetgeen mag worden verwacht van “een redelijk denkend commissaris”. Het komt erop neer, heel kort gezegd, dat in de weergegeven omstandigheden - zie nader het citaat onder 2.24 hiervoor - voor [erflater en eiser 2] vanaf 22 mei 2012 op zijn minst aanleiding bestond tot het doen van nader onderzoek naar de stand van zaken met betrekking tot de FATHOM (bijvoorbeeld door navraag te doen bij CSTC/GSI), wat [erflater en eiser 2] heeft nagelaten. - In rov. 6.21, tweede alinea verbindt het hof daaraan de conclusie dat ingevolge art. 2:140 BW in verbinding met art. 2:9 BW [erflater en eiser 2] van dit onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt te maken valt. Daarbij betrekt het hof dat feiten en omstandigheden die [erflater en eiser 2] kunnen disculperen, niet (voldoende) zijn gesteld of gebleken. En dat de vraag of de financiering reëel was ook hier (net als in rov. 6.14) geen beantwoording behoeft, mede gelet op het antwoord van Fairstar c.s. op grief 3 van [de erven] dat het desbetreffende oordeel van de rechtbank geen "zelfstandig drager is van een voor de zaak relevant oordeel''. - Aldus stelt het […]”
r.o. 3.6.5
“Uit rov. 6.21, eerste alinea, bezien tegen de bredere achtergrond van het daaraan voorafgaande in het arrest (in het bijzonder rov. 6.11-6.14), volgt waarom het hof oordeelt dat [erflater en eiser 2] in de gegeven omstandigheden als commissaris zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij uit hoofde van art. 2:9 BW jegens Fairstar aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van die tekortkoming lijdt (oftewel: dat hem een ernstig verwijt treft). Kort en goed: - vanaf 22 mei 2012 bestond er voor [erflater en eiser 2] om diverse redenen concrete aanleiding tot intensivering van het in art. 2:140 lid 2 BW bedoelde toezicht vanuit de rvc op naleving door Fairstars bestuur van de niet voor misverstand vatbare voorwaarde (het rond zijn van de financiering) die de rvc zelf had verbonden aan toestemming voor de bouw van de FATHOM, dus voor het onvoorwaardelijk binden van Fairstar aan het Shipbuilding Contract, - op welke datum de jaarrekening 2011, vastgesteld op 12 april 2012 met een zorgwekkende goingconcernparagraaf van de accountant, er al geruime tijd lag, - maar [erflater en eiser 2] heeft dat nagelaten en de zaak hier vanaf 22 mei 2012 op zijn beloop gelaten. Daarbij speelt uiteraard mee dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] toen al met zijn handelen in strijd met Fairstars statuten bewust die voorwaarde in de wind had geslagen en zijn eigen koers was gaan varen, door onvoorwaardelijk verplichtingen aan te gaan inzake de […]”
r.o. 3.24.3
“Zoals gezegd: een commissaris die zijn taak als commissaris niet behoorlijk vervult jegens de vennootschap, is daarvoor jegens haar aansprakelijk uit hoofde van art. 2:9 BW als hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit laatste is wel geduid als een hoge drempel. Of een commissaris zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij uit hoofde van art. 2:9 BW jegens de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van die tekortkoming lijdt (oftewel: dat hem een ernstig verwijt treft), dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Zie onder 3.24.2 en 3.26.1 hiervoor.”
r.o. 3.27.1