Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 juli 2025
Enquête: hoor en wederhoor door onderzoeker en bruikbaarheid onderzoeksverslag
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêtezaak komt een aandeelhoudende vennootschap in cassatie op tegen het wanbeleidsoordeel van de OK. Zij stelt dat de onderzoeker haar niet heeft gehoord en geen gelegenheid tot commentaar op het conceptverslag heeft geboden, in strijd met artikel 2:351 lid 4 BW en het recht op een eerlijk proces. De A-G concludeert tot verwerping: artikel 6 EVRM en artikel 19 Rv gelden niet voor de onderzoeksfase en een beroep op artikel 2:351 lid 4 BW is bij de OK niet gedaan.
Kernoverwegingen
“De wijze waarop het onderzoek moet worden verricht, is niet als zodanig in de wet geregeld. De onderzoeker is - behoudens eventuele aanwijzingen van de OK of de in art. 2:350 lid 4 BW bedoelde raadsheer-commissaris (hierna: de r-c) - in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag daarvan, en in de beoordeling wie hij daarbij wanneer wenst te horen en welke gegevens hij daarbij meent nodig te hebben. Wel zijn in de rechtspraak enige (richt)lijnen ontwikkeld wat betreft de taak en werkwijze van de onderzoeker. Los daarvan kent de wet de onderzoeker, kort gezegd, de volgende verplichtingen toe: het betrachten van geheimhouding (art. 2:351 lid 3 BW); het opstellen van een verslag van het onderzoek (art. 2:351 lid 4, eerste zin BW); en het voorleggen van een concept van het verslag aan daarin genoemde personen in het kader van hoor/wederhoor, voor zover sprake is van wezenlijke bevindingen daarin die op henzelf betrekking hebben (art. 2:351 lid 4, tweede zin BW). Bij dit laatste geldt dat uit het verslag moet blijken dat is voldaan aan dat voorschrift (art. 2:353 lid 1, tweede zin BW).”
r.o. 3.14
“Indien een betrokkene van mening is dat de onderzoeker niet (voldoende) rekenschap geeft van het in art. 2:351 lid 4, tweede zin BW bedoelde recht op hoor/wederhoor, kan hij zich op de voet van art. 2:350 lid 4 BW wenden tot de r-c (die zich uitsluitend op de procesmatige kant van het onderzoek richt, niet op de inhoud daarvan). De r-c kan op verlangen van verzoekers of belanghebbenden aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd (art. 2:350 lid 4, tweede zin BW). De r-c kan ook op verlangen van de onderzoeker een aanwijzing geven (art. 2:350 lid 4, vierde zin BW). Ik veronderstel dat de r-c de onderzoeker een aanwijzing kan geven tot het alsnog bieden van een gelegenheid tot zulk hoor/wederhoor aan een verzoeker of een belanghebbende. Voor het overige stelt de wet geen ‘sanctie’ op niet-naleving van art. 2:351 lid 4, tweede zin BW door de onderzoeker. Overigens is mij niet gebleken dat Bertona zich in de onderhavige zaak tot de r-c heeft gewend.”
r.o. 3.18
“Art. 6 lid 1 EVRM en art. 19 Rv zijn in de onderhavige zaak niet van toepassing op (de fase van) het onderzoek. Van een schending van die artikelen door de onderzoeker in het kader van diens werkzaamheden bij dat onderzoek kan derhalve, anders dan de klacht wil, geen sprake zijn. Ik zie geen basis om aan te nemen dat dit anders kan zijn over de band van een ‘uitstralende’ werking van art. 6 lid 1 EVRM (en/of art. 19 Rv) naar (de fase van) het onderzoek. De OK oordeelt in rov. 4.1-4.3 dan ook - en terecht - niet in andere zin, evenmin in verhouding tot Bertona. Reeds daarop strandt de klacht voor zover zij is gestoeld op schending door de onderzoeker van art. 6 lid 1 EVRM en/of art. 19 Rv. Daarin kan geen onjuiste rechtsopvatting van de OK gelegen zijn.”
r.o. 3.29