← Week 35

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 29 augustus 2025

Enquête tweede fase: geen wanbeleidsoordeel bij ontbreken te respecteren belang

  • Enquêterecht
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In de tweede fase van een enquêteprocedure wees de OK de verzoeken van een minderheidsaandeelhouder tot vaststelling van wanbeleid en het treffen van voorzieningen af, omdat de gebreken bij een aandelenuitgifte en conversie onjuist beleid maar geen wanbeleid opleverden en een wanbeleidsoordeel geen te respecteren belang diende. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Hij acht het juist dat de OK een wanbeleidsoordeel kan weigeren als daarmee in de gegeven omstandigheden geen rechtens te respecteren belang is gediend, mede gelet op herstelmaatregelen van de vennootschap.

Kernoverwegingen

“Het vervolg van de klacht (vanaf “Het voorgaande brengt mee”, etc.) treft evenmin doel, ook voor zover dat vervolg niet voortbouwt op het daaraan voorafgaande in de klacht, dat dus feitelijke grondslag mist door een onjuiste lezing van de beschikking. Zie onder 3.10.2 hiervoor. Terecht neemt de OK in rov. 4.32 aan dat, indien door een daartoe bevoegde partij (hier [eiser] ) is verzocht wanbeleid van de rechtspersoon (hier ICTS) vast te stellen, zij de mogelijkheid heeft geen wanbeleidsoordeel uit te spreken, en dit verzoek dus af te wijzen, als met het uitspreken van zo’n oordeel in de gegeven omstandigheden geen rechtens te respecteren belang is gediend. Uit art. 2:355 BW, de wetsgeschiedenis daarvan of Hoge Raad-rechtspraak ter zake volgt niet dat de OK in algemene zin (categorisch, zo men wil) die mogelijkheid ontbeert, al zal in de praktijk het aanwenden van die mogelijkheid eerder uitzondering dan regel zijn. Verder past het aannemen van die mogelijkheid in het wettelijke stelsel van het enquêterecht (titel 8.2 van Boek 2 BW). a. Zo is de aan de OK gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen, bij gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, een discretionaire. b. Zo “kan” de OK, indien uit het onderzoeksverslag van wanbeleid blijkt, op verzoek van een daartoe bevoegde partij een of meer art. 2:356 BW-voorzieningen treffen die zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht (art. 2:355 lid 1 BW). c. En zo heeft de OK de […]”

r.o. 3.10.3

“Daarmee is niet gezegd dat de OK van die mogelijkheid gebruik moet maken in een geval als bedoeld in het subonderdeel. Dat zegt zij ook niet in rov. 4.32. Daarin kíest de OK ervoor, met inachtneming van het partijdebat, van die mogelijkheid gebruik te maken gelet op de daarin uiteenzette omstandigheden in totaliteit bezien, die zich bovendien niet beperken tot zo’n geval als bedoeld in het subonderdeel. Dat de OK onder dit specifieke gesternte die keuze maakt, geeft, gezien ook 3.10.1-3.10.4 hiervoor (waaronder 3.10.3 sub d-f), geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan doet niet af dat bij de toepassing van de regeling van het enquêterecht ook de belangen van de verzoeker (hier [eiser] ) en van alle bij de rechtspersoon (hier ICTS) betrokkenen in aanmerking behoren te worden genomen. Dit laatste doet de OK immers kenbaar bij het maken van voornoemde keuze (zie rov. 4.32), en haar gehoudenheid die belangen aldus in aanmerking te nemen brengt nog niet mee dat zij een andere keuze had moeten maken. Met het voorgaande is dus evenmin gezegd - en dat zegt de OK ook niet in rov. 4.32 - dat in zo’n geval op voorhand, dus ongeacht de verdere omstandigheden, de OK geen wanbeleidsoordeel kan uitspreken of het uitspreken van zo’n oordeel niet ertoe kan dienen dat wordt vastgesteld bij wie de verantwoordelijkheid berust voor het gebleken wanbeleid (van welke mogelijkheid een preventieve werking kan uitgaan). Tot slot: dat zo’n vaststelling (met die mogelijkheid van preventieve […]”

r.o. 3.10.5

“Nu de regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon (in die regeling staat dit belang voorop), en de OK voornoemde oordeel geeft in het kader van die regeling, valt niet vol te houden dat zij bij dit oordeel - in welk verband [eiser] ’ belang bij zijn onderhavige verzoek uiteraard moet worden gerelateerd aan de andere betrokken belangen - slechts een bijrol zou mogen inruimen voor het belang van ICTS (en de met haar verbonden onderneming), wat de OK dan ook niet doet. Iets anders is dat, naar de OK blijkens rov. 4.32 eveneens onderkent, bij dit oordeel ook de belangen van [eiser] (als verzoeker) en van alle bij ICTS betrokkenen in aanmerking behoren te worden genomen. Dit oordeel is blijkens rov. 4.32 ruim gemotiveerd, waarbij de OK haar gedachtegang op adequate wijze inzichtelijk en controleerbaar maakt, met oog ook voor de economische werkelijkheid van dit geval. Zie tevens onder 3.10.1-3.10.5 hiervoor. Dat en waarom dit oordeel niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou zijn, zet de klacht ook niet uiteen. Evenmin valt in te zien, laat staan zonder méér, dat de OK aldus oordelend te weinig terughoudendheid zou hebben betracht.”

r.o. 3.16.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:916
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
29 augustus 2025
Datum publicatie
4 september 2025
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:355 BW, 2:356 BW, 2:8 BW, 2:9 BW, 2:149 BW, 2:14 BW, 2:15 BW
Thema
Enquêterecht, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 35 van 2025

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.