← Week 36

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 september 2025

Conclusie A-G: kort geding tegen verkoop MidCo-aandelen, gesanctioneerde certificaathouder, artikel 2:8 BW

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een kort geding verzet een gesanctioneerde certificaathouder zich tegen de verkoop van aandelen in een tussenholding, bedoeld om de financiering van een concern veilig te stellen. De A-G meent dat het hof terecht heeft geoordeeld dat ringfencing geen reëel alternatief is en dat de besluitvorming en prijsbepaling voldoende zorgvuldig waren, getoetst aan artikel 2:8 BW. Ook als de certificaathouder haar stemrecht kon uitoefenen, is het gebruik van haar vetorecht naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Toch bestaat er mijns inziens geen aanleiding om de onderhavige procedure aan te houden in afwachting van de uitspraak van het HvJEU. Ik meen namelijk dat, bij de huidige stand van zaken, reeds kan worden geconcludeerd dat onderdeel 1 wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. De reden daarvoor is dat het hof in rov. 6.46-6.50 van het bestreden arrest een tweede zelfstandig dragende grond heeft opgenomen voor het afwijzen van de door SBK c.s. gevraagde voorzieningen. Het hof overweegt daar dat Forteneva c.s. hebben aangetoond dat bij voortgang op de oude voet een reëel gevaar ontstaat voor financiële nood die de continuïteit van de Fortenova-groep in gevaar kan brengen. Het hof heeft vervolgens geconstateerd dat een reëel alternatief voor de voorgenomen transactie niet voorhanden is. Het is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als SBK gebruik maakt van haar vetorecht (zie rov. 6.49).”

r.o. 4.3

“Om voorgaande redenen falen de klachten tegen het oordeel van het hof dat onvoldoende is gewaarborgd dat ringfencing van SBK een afdoende oplossing kan bieden voor de financieringsproblemen van Fortenova-groep.”

r.o. 4.18

“Blijkens rov. 6.8 heeft het hof getoetst aan de in art. 2:8 lid 1 BW neergelegde gedragsnorm dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich moeten gedragen jegens elkaar naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Die rechtsregel brengt onder meer mee dat de rechtspersoon zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van die zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.”

r.o. 4.73

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:947
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
5 september 2025
Datum publicatie
8 september 2025
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 36 van 2025

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.