Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 september 2025
Verhaal kartelboete door voormalige moeder op dochter; artikel 2:8 en 2:9 BW
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een voormalige moedermaatschappij die door de ACM is beboet voor een kartelinbreuk van haar toenmalige dochter probeert de boete op die dochter te verhalen. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: er is geen onrechtmatige daad jegens de moeder, regres naar analogie van artikel 6:10 BW is niet aan de orde en er is geen ongerechtvaardigde verrijking. Boek 2 speelt een beperkte rol: de beroepen op artikel 2:8 en 2:9 BW kunnen niet als zelfstandige grondslag dienen en falen omdat de moeder zich aan de bescherming van de norm heeft onttrokken.
Kernoverwegingen
“In subonderdeel 2.2 voert Bencis twee rechtsklachten aan. Ten eerste zou het hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het in rov. 6.6 (drie laatste volzinnen) en rov. 6.7 heeft miskend dat (i) onder de omstandigheden vermeld in subonderdeel 2.1, de deelname door Meneba aan de inbreuk en het verzwijgen daarvan wel degelijk in strijd met art. 2:8 BW is of kan zijn tegenover Bencis en (ii) Meneba Holding als bestuurder in strijd met art. 2:9 BW handelde of kon handelen doordat zij bewerkstelligde en op zijn minst toeliet dat Meneba daaraan deelnam. Ten tweede zou onjuist zijn het oordeel in rov. 6.6 dat deze normen hoogstens relevant kunnen zijn voor de toerekeningsmaatstaf, voor zover het hof daarmee miskent dat schending van deze twee normen een onrechtmatige daad kan opleveren en/of mede inkleuring geven of kunnen geven aan de door Bencis ingeroepen maatschappelijke zorgplicht van Meneba tegenover Bencis.”
r.o. 3.32
“Met deze klachten gaat Bencis uit van een verkeerde lezing van rov. 6.6 en 6.7 zodat de klachten feitelijke grondslag missen. Het hof neemt het beroep op art. 2:8 BW en art. 2:9 BW mee in de beoordeling van de aanspraak uit hoofde van onrechtmatige daad, omdat die artikelen in dit geval niet kunnen dienen als zelfstandige grondslag (zie rov. 6.7). Zoals zojuist uiteengezet, heeft Bencis zich onttrokken aan de bescherming van de norm die haar zou moeten beschermen tegen het gedrag van Meneba. Er is dus geen sprake van een schending van de art. 2:8 en 2:9 BW.”
r.o. 3.33