← Week 22

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 mei 2026

Aansprakelijkheid maatschap en vennoten voor feitelijk handelen van vennoot; devolutieve werking

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een fiscaal adviseur, verbonden aan een maatschap, zou een royementsvolmacht met valse handtekeningen van klanten hebben verzonden. Het hof achtte de adviseur, zijn vennootschap, de maatschap en de overige vennoten hoofdelijk aansprakelijk. De A-G concludeert dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskende en niet motiveerde waarom de maatschap en de overige vennoten aansprakelijk zijn voor het feitelijk handelen van één vennoot, onder meer omdat dat handelen bij de vennootschappelijke werkzaamheid moet hebben plaatsgevonden. De klachten over de bewijswaardering falen; hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.

Kernoverwegingen

“Het onderdeel klaagt terecht dat het hof aldus de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] hebben zich tegenover de vorderingen van [de klanten] zowel beroepen op verjaring als op de klachtplicht. Deze verweren zijn door [de klanten] opgevat als mede ziende op het project [betrokkene 1] - [plaats 1] en de kwestie van de royementsvolmacht. Hoe dan ook, het oordeel van het hof berust niet op een beperkte uitleg van het beroep op verjaring en de klachtplicht. In plaats daarvan is het hof uitgegaan van een opvatting van de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep die evident in strijd is met vaste rechtspraak van uw Raad. Volgens die vaste rechtspraak worden in eerste aanleg verworpen verweren die door geïntimeerde niet zijn prijsgegeven, door de appelrechter opnieuw beoordeeld voor zover het hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt, niet anders dan verweren die in eerste aanleg onbehandeld zijn gebleven. Waar het hof tot het oordeel kwam dat grief I slaagde, was het dus gehouden om de deugdelijkheid van het beroep van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] op verjaring respectievelijk de klachtplicht te onderzoeken. Dat door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] geen incidenteel hoger beroep was ingesteld, doet daaraan niet af. De crux van (de positieve zijde van) de devolutieve werking van het hoger beroep is nu juist dat een […]”

r.o. 3.3

“Het hof heeft vastgesteld dat [vennoot 4] ‘verbonden was aan [de maatschap] ’ (arrest van het hof onder 4.1.1 sub a; vergelijk hiervoor 2.1 onder i). Daarmee is kennelijk bedoeld dat [vennoot 4] (al dan niet via zijn BV) vennoot van [de maatschap] was. [de maatschap] is een maatschap. Partijen hebben gedebatteerd over de vraag of [de maatschap] ook een openbare maatschap is. Zou [de maatschap] een stille maatschap zijn, dan valt niet in te zien op welke grond de maatschap en de overige vennoten aansprakelijk zouden kunnen zijn. Het vervalsen van handtekeningen op een royementsvolmacht is niet een rechtshandeling namens de maatschap; het betreft feitelijk handelen. Zou [de maatschap] wél een openbare maatschap zijn, dan is (uitgaande van de heersende opvatting in de literatuur) op zichzelf denkbaar dat een feitelijk handelen van een van de vennoten als een onrechtmatige daad van de maatschap heeft te gelden, maar dit veronderstelt dan dat dit handelen plaatsvond bij de vervulling van de vennootschappelijke werkzaamheid waarop de vennootschap is gericht en bovendien dat het handelen in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een gedraging van de vennootschap. In ieder geval het laatste lijkt mij niet vanzelfsprekend juist (en vergde dus een motivering, die ontbreekt).”

r.o. 3.9

“In het licht van een en ander zou ik hebben verwacht dat het onderdeel ons rechtsklachten presenteerde die aanknopen bij de aard van het handelen van [vennoot 4] (feitelijk handelen; niet-vertegenwoordigend) respectievelijk bij de maatstaf voor de aansprakelijkheid van een openbare maatschap uit onrechtmatige daad. Zodanige klachten lees ik in het onderdeel echter niet.”

r.o. 3.10

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:494
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
22 mei 2026
Datum publicatie
28 mei 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 22 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.