Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 mei 2026
Beklamelnorm: bestuurders niet aansprakelijk bij bestelling kort voor surseance; conclusie strekt tot verwerping
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een afnemer vorderde van twee indirect bestuurders schadevergoeding voor een betaalde, maar niet geleverde bestelling bij een vennootschap die kort daarna in surseance en faillissement raakte, op grond van de Beklamelnorm. Rechtbank en hof wezen de vordering af omdat de bestuurders niet hoefden te voorzien dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen. De A-G concludeert dat de motiveringsklachten in cassatie falen en het cassatieberoep moet worden verworpen.
Kernoverwegingen
“Ik stel voorop dat het oordeel in rov. 5.16 niet alleen gestoeld is op de bestreden overweging in rov. 5.14, maar op alle overwegingen die zijn geplaatst onder het kopje ‘De Beklamelnorm’, te weten: rov. 5.13-5.15. Er staat in rov. 5.16 immers: “De conclusie van het voorgaande luidt …”. Verder merk ik op dat rov. 5.13 in cassatie niet wordt bestreden. Daarin oordeelt het hof dat [verweerders] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij, in de periode vóór 1 maart 2022, een regeling met DNB en de andere banken en een akkoord over volledige overname door Ziemann als een reële mogelijkheid zagen om een faillissement van RCCS af te wenden en RCCS aan haar betalingsverplichtingen te laten voldoen.”
r.o. 4.8
“In dit oordeel ligt besloten dat Ziemann er (financieel) belang bij had om (ook) de wisselgelddienstverlening als zodanig over te nemen. Dat oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. [verweerders] hadden immers gemotiveerd aangevoerd dat RCCS jegens individuele of gezamenlijke wisselgeldklanten geen tekort had en dat in de gesprekken met Ziemann het nooit een punt van discussie of twijfel was geweest dat de wisselgeldactiviteiten mee over zouden gaan als het zou lukken om de CiT- en SmartSafe-activiteiten te redden en door te starten. Voorts voerden [verweerders] aan dat Ziemann belang had bij voldoende klanten en omzet. Ik citeer nr. 64 van de memorie van antwoord in principaal appel:
“64. Het was immers de bedoeling van zowel het bestuur van RCCS als van Ziemann om de onderneming van RCCS going concern door te starten in een nieuwe entiteit. Bij zo'n plan is vereist dat de doorstartende entiteit voldoende klanten en omzet heeft, omdat een doorstart anders bedrijfseconomisch niet levensvatbaar is. Een groot deel van RCCS’ klanten nam naast de CiT- of SmartSafe-diensten ook wisselgelddiensten af. De wisselgeldactiviteiten waren voor veel klanten net zo belangrijk als de CiT- en SmartSafe-diensten. Als de wisselgeldactiviteiten en -verplichtingen zouden achterblijven en met een afboeking zouden worden geconfronteerd of zelfs in faillissement zouden belanden, zou dat tot grote onvrede en conflicten met klanten hebben geleid, die ook CiT- en […]”
r.o. 4.10
“In eerdere instanties heeft [eiseres] vooral betwist dat Ziemann de verplichting jegens haar zou overnemen en dat Ziemann geen belang had om specifiek [eiseres] als klant te behouden. Dit heeft het hof kennelijk niet relevant en dus ook niet essentieel geacht, nu onweersproken door [verweerders] was aangevoerd dat in de afweging van het bestuur de positie van kleine, individuele klanten geen rol speelden. Het ging, met andere woorden, niet om de vraag of Ziemann er belang bij had om elke individuele klant over te nemen, maar of Ziemann er belang bij had de dienstverlening als zodanig over te nemen. Ook hebben [verweerders] onweersproken gesteld dat er geen redenen waren voor het bestuur om bijzondere aandacht te besteden aan de positie van [eiseres] . In het licht hiervan is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en is er ook geen sprake van een of meer essentiële stellingen waarop het hof had moeten responderen.”
r.o. 4.12