Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 juni 2026
Enquête Nexperia: ex parte onmiddellijke voorzieningen en hoor en wederhoor (artikel 2:349a BW)
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure heeft de OK ex parte onmiddellijke voorzieningen getroffen: schorsing van een bestuurder en overdracht van de aandelen van de enig aandeelhouder ten titel van beheer. De aandeelhouder stelt in cassatie dat zijn recht op een eerlijk proces is geschonden. De A-G concludeert tot verwerping: artikel 2:349a BW biedt in uitzonderlijke spoedeisende gevallen een grondslag voor een ex parte freezing order ter tijdelijke bevriezing van de situatie. De OK heeft hoor en wederhoor na de mondelinge behandeling gewaarborgd.
Kernoverwegingen
“Deze redenering laat zich naar mijn idee doortrekken naar art. 2:349a lid 2-3 BW, aldus dat deze bijzondere regeling (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv, of art. 254 Rv, hier overbodig maakt: de bevoegdheid van de OK tot het treffen van een freezing order voorafgaand aan de mondelinge behandeling in een enquêteprocedure volgt immers al uit art. 2:349a BW. In lid 2 daarvan is bepaald dat een onmiddellijke voorziening “in elke stand van het geding” kan worden getroffen, wat dus betekent vanaf het moment dat een enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW is ingediend. In art. 2:349a lid 3 BW wordt nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen voorafgaand aan de beslissing op het enquêteverzoek (“[i]ngeval nog geen onderzoek is gelast”). Uit de aard van de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen en uit de motivering in met name de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 maak ik overigens op dat het de OK ook te doen was om het tijdelijk bevriezen van de bestaande situatie tot de mondelinge behandeling ter voorkoming van onherstelbare schade aan Nexperia en de met haar verbonden onderneming, dus met inachtneming van de economische werkelijkheid in dit concrete geval.,”
r.o. 4.18.8
“Bezien tegen deze achtergrond voert het subonderdeel m.i. geen overtuigende redenen aan waarom hetgeen in het kader van het treffen van voorlopige voorzieningen als bijvoorbeeld bedoeld in art. 223 Rv en art. 2:298 lid 2 BW door de Hoge Raad is goedgekeurd, en mogelijk wordt geacht als freezing order op de voet van art. 254 Rv in een kort geding, en bovendien uitdrukkelijk in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen is toegelaten door het EHRM, niet mogelijk zou (moeten) zijn in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2-3 BW. Kort en goed, voor zover al een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist voor ex parte onmiddellijke voorzieningen is die er hier, te weten art. 2:349a lid 2-3 BW. Daarop stuit de rechtsklacht in het subonderdeel af. Ik licht dit hierna verder toe voor zover nodig, onder verwijzing naar relevante randnummers in de PI.
4.19.1 In PI 45 wordt de onder 4.18.4 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 verkeerd gelezen, voor zover tot uitgangspunt wordt genomen dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis als bedoeld in art. 19 lid 1 Rv heeft aangewezen. De wettelijke basis die in die uitspraak wordt genoemd is immers art. 2:298 lid 2 BW. Voor zover wordt aangevoerd dat de vereiste wettelijke basis in het onderhavige geval niet kan worden gevonden in art. 279 Rv of art. 223 Rv kan dat Yuching evenmin baten, nu, voor zover nodig, art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de […]”
r.o. 4.19
“Voor zover PI 53 aanvoert dat art. 2:349a BW geen grondslag biedt voor het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen, ziet het verder voorbij aan het volgende. Art. 2:349a lid 1, eerste zin BW bepaalt dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dit heeft overigens niet alleen betrekking op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar ook op het enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW zelf. Uit het vervolg van art. 2:349a lid 1 BW blijkt dat de wetgever daarbij een (mondelinge) behandeling van het verzoek voor ogen heeft gestaan, waarbij belanghebbenden voorafgaand aan de aanvang van de behandeling tot een bepaald door de OK te bepalen tijdstip een verweerschrift kunnen indienen, verzoekers en de rechtspersoon hetzij bij advocaat hetzij bijgestaan door hun advocaten verschijnen, en de OK ook ambtshalve getuigen en deskundigen kan horen alvorens te beslissen op het verzoek. Het wettelijke uitgangspunt is dus dat na een mondelinge behandeling tegelijk wordt beslist op het enquêteverzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor zover ook om dat laatste is verzocht. Uit het vervolg van art. 2:349a BW blijkt echter dat beide verzoeken los van elkaar kunnen worden behandeld. Volgens art. 2:349a lid 2 BW kan het treffen van onmiddellijke voorzieningen immers “in elke stand van het geding” geschieden, en art. 2:349a lid 3 BW bepaalt uitdrukkelijk dat en onder welke voorwaarden dat kan ingeval “nog geen onderzoek is gelast”. […]”
r.o. 4.19.9