Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 juni 2026
Ex parte onmiddellijke voorzieningen in enquête (Nexperia): eerlijk proces, artikel 2:349a BW
- Enquêterecht
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een bestuurder en indirect controlerend aandeelhouder van een halfgeleiderbedrijf komt in cassatie op tegen vijf beschikkingen van de OK, waarin hij ex parte is geschorst en onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen. De A-G concludeert, voor zover de conclusie in de aangeleverde tekst is behandeld, dat artikel 2:349a BW in bijzonder spoedeisende gevallen een toereikende wettelijke grondslag biedt voor een ex parte freezing order, zonder schending van artikel 19 Rv en artikel 6 EVRM. Hij adviseert de klachten over de procesgang te verwerpen. De tekst is afgekapt.
Kernoverwegingen
“Het recht op rechterlijk gehoor en het daarmee samenhangende recht op hoor/wederhoor (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM), waaronder equality of arms, wordt wel beschouwd als het meest fundamentele beginsel van het (burgerlijk) procesrecht. Hoewel het naar de letter gaat om een recht van partijen, is het ook toepasselijk op belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure. Art. 6 EVRM kan eveneens spelen bij de behandeling van een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW als door die onmiddellijke voorzieningen, die kunnen worden beschouwd als zogenoemde interim measures, burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. Toch is het niet zo dat de OK in verband met het bepaalde in art. 19 Rv en art. 6 EVRM nimmer mag beslissen op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder belanghebbenden, zoals hier [bestuurder/CEO] , in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten. Een dergelijke absolute gelding hebben die bepalingen niet.”
r.o. 4.18.1
“Deze redenering laat zich naar mijn idee doortrekken naar art. 2:349a lid 2-3 BW, aldus dat deze bijzondere regeling (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv, of art. 254 Rv, hier overbodig maakt: de bevoegdheid van de OK tot het treffen van een freezing order voorafgaand aan de mondelinge behandeling in een enquêteprocedure volgt immers al uit art. 2:349a BW. In lid 2 daarvan is bepaald dat een onmiddellijke voorziening “in elke stand van het geding” kan worden getroffen, wat dus betekent vanaf het moment dat een enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW is ingediend. In art. 2:349a lid 3 BW wordt nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen voorafgaand aan de beslissing op het enquêteverzoek (“[i]ngeval nog geen onderzoek is gelast”). Uit de aard van de in de ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen en uit de motivering in met name de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 maak ik overigens op dat het de OK ook te doen was om het tijdelijk bevriezen van de bestaande situatie tot de mondelinge behandeling ter voorkoming van onherstelbare schade aan Nexperia en de met haar verbonden onderneming, dus met inachtneming van de economische werkelijkheid in dit concrete geval.,”
r.o. 4.18.8
“Deze rechtsoverweging is per 1 januari 2013 gecodificeerd in art. 2:349a lid 2-3 BW. In PI 17 wordt op zichzelf terecht uit deze rechtsoverweging afgeleid dat van de mogelijkheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen voordat op het verzoek tot het instellen van een onderzoek is beslist met terughoudendheid en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebruik moet worden gemaakt. De te betrachten terughoudendheid heeft de OK hier echter niet miskend bij het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen, waaronder de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching. Het ging immers slechts om een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie aan de hand van toewijzing van slechts een deel van de verzochte onmiddellijke voorzieningen, die bovendien kort heeft geduurd (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) en waarvoor naar het oordeel van de OK in verband met de toestand van de rechtspersoon voldoende zwaarwegende redenen bestonden. Het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen is ook niet onverenigbaar met de belangenafweging die de OK behoort te maken (het evenredigheidsbeginsel), zoals in onder meer PI 16 wordt gesteld. Het is waar dat de OK zich niet kan beperken tot een afweging van de belangen van Nexperia (in hoedanigheid van verzoekster en verweerster), maar dat ook moet worden gelet op de belangen van onder meer [bestuurder/CEO] die als bestuurder van Nexperia […]”
r.o. 4.19.14