Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 3 juli 2026
Prejudiciële vraag Wahv-verhogingen; rechtspersoonlijkheid CRM als amicus curiae
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Deze conclusie van de A-G gaat over de prejudiciële vraag of de wettelijke verhogingen van niet-tijdig betaalde verkeersboetes in strijd zijn met het EVRM. Boek 2 BW speelt slechts een kleine rol: de Staat wijst op artikel 2:1 lid 2 BW om te betogen dat het College voor de Rechten van de Mens geen rechtspersoonlijkheid heeft, maar volgens de A-G staat dat niet in de weg aan het indienen van schriftelijke opmerkingen.
Kernoverweging
“De Staat heeft zich in zijn reactie (onder 1) gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad over de vraag of het CRM ten opzichte van de Staat kan worden aangemerkt als een ‘ander’ als bedoeld in art. 393 lid 2 Rv, die schriftelijke opmerkingen in een prejudiciële procedure kan maken. De Staat wijst er daarbij op dat aan het CRM in de Wet College voor de rechten van de mens geen rechtspersoonlijkheid is toegekend, zodat het CRM geen rechtspersoonlijkheid bezit, gelet op het bepaalde in art. 2:1 lid 2 BW, maar een onderdeel is van de Staat. Dat het CRM geen rechtspersoonlijkheid heeft – maar blijkens de wet waarbij het in het leven is geroepen, is ingesteld als (uitsluitend) een zogeheten zelfstandig bestuursorgaan –, lijkt me geen probleem. Doel van het kunnen maken van schriftelijke opmerkingen is dat de Hoge Raad beter geïnformeerd is bij de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen en om degenen die daarbij een rechtstreeks belang hebben – waaronder mede is te verstaan het belang dat de wet hen opdraagt om te behartigen –, de mogelijkheid te geven om te worden gehoord over die beantwoording. Daarmee stemt overeen dat ook een zelfstandig bestuursorgaan (of een ander orgaan) – die daarbij optreedt in de uitoefening van zijn (wettelijke) taak –, ook als dat orgaan behoort tot een van partijen, zoals in dit geval de Staat, kan optreden als een ‘ander’ die opmerkingen kan maken overeenkomstig art. 393 lid 2 Rv. Daarbij zij opgemerkt dat rechtspersoonlijkheid in het […]”
r.o. 2.9