← Week 37

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 september 2026

Tardief afsplitsingsverweer (art. 2:334f BW) en tweeconclusieregel na verwijzing

  • Fusie en splitsing
  • Boek 2 BW
  • Zijdelings

Samenvatting

Procedure na verwijzing over de vraag wie recht heeft op een in depot gehouden restant van een verkoopopbrengst. Het hof liet het verweer dat de afsplitsing van de vordering niet nauwkeurig genoeg was beschreven (artikel 2:334f BW) buiten beschouwing, omdat het te laat was aangevoerd. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, omdat er geen uitzondering op de tweeconclusieregel was.

Kernoverwegingen

“Onderdeel I is gericht tegen rov. 5.18 en rov. 5.19, alsmede tegen rov. 2.1, 2.2, 3.9, 5.3, 5.5 en 5.6 en het dictum, waarin het hof het verweer van [eisers] dat er geen geldige afsplitsing van de vordering op Triskalion heeft plaatsgevonden vanwege een onvoldoende nauwkeurige omschrijving van deze vordering in de zin van art. 2:334f lid 2 sub b BW, als tardief buiten beschouwing heeft gelaten. Het hof heeft in rov. 5.19, waartegen dit onderdeel zich in de kern richt, geoordeeld dat dit verweer pas voor het eerst in de memorie na verwijzing is aangevoerd, terwijl [eisers] dit verweer al in de vorige instanties hadden kunnen en moeten voeren. Bovendien is volgens het hof geen sprake van een nadere onderbouwing of precisering van eerder ingenomen stellingen en gaat het ook niet om een beroep op na de vernietigde uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden of feiten die zich nadien hebben voorgedaan, wat wel zou zijn toegestaan.”

r.o. 4.2

“Ik merk het volgende op. In de stellingen van [eisers] in de procedure vóór verwijzing heeft het hof klaarblijkelijk geen grief gelezen dat de omschrijving van de vermogensbestanddelen niet voldoende nauwkeurig was in de zin van art. 2:234f lid 2 BW. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Weliswaar hoefde [eisers] niet het betreffende wetsartikel te noemen, maar een (feitelijk) betoog dat de afsplitsing niet voldoende nauwkeurig was, valt inderdaad ook niet in de stellingen te lezen. In de stellingen die het subonderdeel aanhaalt en samengevat weergeeft onder a t/m f lees ik dat in ieder geval niet. Het gaat om algemene stellingen dat Stack niet het vorderingsrecht heeft verkregen, althans dat dit niet voor [eisers] valt na te gaan. De enige passage waarin het gaat over ‘splitsing’ is het onder ‘e’ aangehaalde schriftelijk pleidooi, nr. 21. Daar wordt echter niets gezegd over de (nauwkeurigheid van de) omschrijving, maar wordt gesteld dat de splitsing niet is vastgelegd in een akte en er alleen een voornemen is tot splitsing. Zoals het hof in rov. 5.19 echter heeft overwogen betreft de nieuwe grief echter niet de betwisting van de geldigheid van de afsplitsing (in zijn algemeenheid), maar de betwisting om de genoemde reden, dat wil zeggen: vanwege de onvoldoende nauwkeurigheid van de beschrijving. Die reden wordt zoals gezegd nergens door [eisers] genoemd, behalve pas in de memorie na verwijzing (de stellingen in het subonderdeel onder g). In het kader van de vraag of het gaat […]”

r.o. 4.13

“Een dergelijk uitzonderingsgeval doet zich hier echter niet voor. Eenvoudigweg omdat [eisers] hun – voor het eerst in de memorie na verwijzing aangevoerde – nieuwe, tardieve grief hebben gebaseerd op informatie die al in eerste aanleg aanwezig was, zoals het hof ook heeft overwogen in rov. 5.19, en dus niet op feiten die in de loop van de procedure in hoger beroep pas bekend werden. De vergissing met betrekking tot bijlage C bij Annex I werd namelijk pas bekend (kort voor) de mondelinge behandeling na verwijzing, dus nadat de nieuwe grief al was aangevoerd. Bovendien was de in eerste aanleg overgelegde productie de juiste Annex I bij Bijlage C, waaruit voor [eisers] al duidelijk was dat de naam ‘Triskalion’ niet werd vermeld, maar alleen het BCDB-nummer. Dat blijkt ook uit het feit dat de nieuwe grief nu juist gebaseerd is op het feit dat alleen een (intern) BCDB-nummer in Annex I bij Bijlage C wordt genoemd, en niet de naam ‘Triskalion’. Kortom, er is, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, geen verband tussen de nieuwe, tardieve grief en de vergissing met betrekking tot Annex I bij Bijlage C, terwijl voor het opgaan van de uitzondering op de tweeconclusieregel waarop het subonderdeel een beroep doet, wel vereist is dat de nieuwe grief verband houdt met pas later (dus na de memorie van grieven) bekend geworden informatie. Het oordeel van het hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook goed te volgen.”

r.o. 4.19

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:839
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
4 september 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:334f BW
Thema
Fusie en splitsing
Weekoverzicht
Week 37 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.