Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 september 2026
Enquêtebevoegdheid indirect aandeelhouder: gelijkstelling met aandeelhouder via tussenholdings
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een indirect aandeelhouder (20% in een tussenholding die via een tweede tussenholding 72% van de doelvennootschap houdt) is door de OK niet-ontvankelijk verklaard in haar enquêteverzoek. In cassatie komt zij op tegen het oordeel dat haar belang niet kan worden gelijkgesteld met dat van een aandeelhouder of certificaathouder. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: de OK heeft de juiste maatstaf gehanteerd, de keuze voor de gelaagde structuur mocht worden gerespecteerd en stellingen over belangenverstrengeling zijn niet relevant voor de bevoegdheidsvraag.
Kernoverwegingen
“Blijkens rov. 3.3-3.3.2 hanteert de OK de juiste maatstaf. Het gaat hier erom of het eigen economisch belang van de indirecte verschaffer van risicodragend kapitaal in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, van dien aard is dat het voor toepassing van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c BW op een lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder van die vennootschap. Bij die beoordeling worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, uiteraard met inachtneming van het partijdebat dienaangaande (dit laatste vat de OK samen in rov. 3.1-3.2). Met dit een en ander strookt niet dat de OK de opvatting huldigt dat bij die beoordeling “louter” betekenis toekomt aan (i), dus niet (ook) aan (ii). De klacht zet ook niet uiteen waar in deze overwegingen van de OK zo’n opvatting dan te vinden zou zijn.”
r.o. 4.5.4
“De strekking van het enquêterecht brengt kort gezegd mee dat, waar het gaat om toepassing van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c BW, onder de daarin bedoelde ‘aandeelhouder’ en ‘certificaathouder’ niet alleen degene valt die direct als zodanig risicodragend kapitaal verschaft aan de vennootschap in kwestie (men kan zeggen: de formele aandeelhouder of certificaathouder), maar ook degene die een positie inneemt als ware hij zo’n kapitaalverschaffer (men kan zeggen: de informele aandeelhouder of certificaathouder). Daarbij geldt, zoals bekend, dat het bij de toepassing van het enquêterecht uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. De gelijkstellingsjurisprudentie van de Hoge Raad geeft hiervan blijk en vult het voorgaande meer concreet in. Ik lees dit bijvoorbeeld terug in de rechtspraak behandeld onder 3.7-3.8 en 3.11-3.18 hiervoor.”
r.o. 4.32.2
“Dit laatste behelst in de kern een kwalitatieve toets gericht op de wezenlijke kenmerken, oftewel de aard, van Felmans positie als indirect aandeelhouder van Archirodon (specifiek het daarmee verbonden economische belang in Archirodon) afgezet tegen die van een positie als directe aandeelhouder of certificaathouder van Archirodon (specifiek het daarmee verbonden economische belang in Archirodon), te verrichten op basis van daarvoor van betekenis zijnde (dus: relevante) feiten en omstandigheden, althans stellingen dienaangaande. Ik lees ook dit bijvoorbeeld terug in de rechtspraak behandeld onder 3.7-3.8 en 3.11-3.18 hiervoor. De verwante, maar te onderscheiden vraag of het door Felman verschafte risicodragend kapitaal (ook) in omvang afdoende is om door de poort van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder c BW te komen, behelst in de kern een kwantitatieve toets: wat is procentueel het (indirecte) belang van Felman in Archirodon? Daarop ziet die 14,4%.”
r.o. 4.32.4