Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 18 september 2026
Uitstoting en uittreding: vennootschapsbelang bij afwikkeling onderneming na vastgelopen 50/50-samenwerking
- Geschillenregeling
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie over de geschillenregeling (uitstoting en uittreding) gaat het om een vennootschap met twee 50%-aandeelhouders waarvan de samenwerking is vastgelopen en waarvan de overgebleven bestuurder de onderneming gecontroleerd afwikkelt. De A-G concludeert dat het vennootschapsbelang afhangt van de omstandigheden van het geval en dat de bestuurder zich redelijkerwijs op ontvlechting en afwikkeling mocht richten, ook zonder formeel stakingsbesluit of dreigend faillissement. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep tegen de afwijzing van beide verzoeken door de OK.
Kernoverwegingen
“Art. 2:336a lid 1 BW vereist voor toewijzing van een verzoek tot uitstoting van een aandeelhouder onder meer dat de uit te stoten aandeelhouder door zijn gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder van de vennootschap, het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.”
r.o. 3.4
“De tweede zin in het citaat, dus “Wat dat belang inhoudt”, etc., maakt duidelijk dat de inhoud van het vennootschapsbelang afhangt van de omstandigheden van het geval. Is aan de vennootschap een onderneming verbonden, dan komt in ieder geval de derde zin in het citaat in beeld: de koppeling van die inhoud aan bevordering van het bestendige succes van deze onderneming. Die derde zin bevat evenwel de “in de regel vooral”-clausulering. Daarmee wordt onder meer rekening gehouden met de mogelijkheid van een situatie waarin weliswaar een onderneming is verbonden aan de vennootschap, maar die koppeling niet langer opgeld doet en dienaangaande dus een perspectiefwisseling optreedt. In rov. 3.5-3.6 zet de OK uiteen dat in dit geval sprake is van zo’n situatie, waarbij [betrokkene 2] als overgebleven bestuurder van [A] zich redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat het belang van [A] niet langer gericht was op bevordering van het bestendige succes van haar onderneming, maar op een ordentelijke ontvlechting en afwikkeling van de samenwerking tussen [betrokkene 1] c.s. en [verweerster] c.s. via [A] (met inbegrip van haar onderneming).”
r.o. 4.11.3
“Kortom: in deze dynamische benadering beweegt het vennootschapsbelang mee met de totaliteit van de omstandigheden van de concrete casus, in deze benadering loopt de bepaling van dit belang - anders dan de klacht in essentie wil - dus niet langs de lijnen van een beslisboom waarbij harde voorwaarden/individuele omstandigheden moeten worden afgevinkt.”
r.o. 4.16.4