← Week 40

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 25 september 2026

Kerkgenootschap en burgerlijke rechter: bevoegdheid, ontvankelijkheid en toetsing onrechtmatige daad (artikel 2:2 BW)

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie gaat het om de vraag of de burgerlijke rechter een vordering uit onrechtmatige daad tegen een kerkgenootschap mag beoordelen als het gaat om kerkelijke maatregelen na een melding van seksueel misbruik. De A-G stelt dat de burgerlijke rechter bevoegd is zodra de vordering op burgerlijk recht berust, en dat artikel 2:2 lid 2 BW en de scheiding van kerk en staat bij de inhoudelijke toetsing meewegen. De A-G concludeert tot vernietiging van het arrest en verwijzing naar de rechtbank, omdat het hof de zaak had moeten terugwijzen, betrokkenen niet heeft gehoord en een onjuist rectificatiegebod heeft gegeven.

Kernoverwegingen

“De conclusie is hiermee dat dat de objectum litis-leer ook geldt voor kerkelijke geschillen. De civiele rechter is bevoegd om van een kerkelijk geschil kennis te nemen, indien eiser zijn vordering baseert op een burgerlijk recht. Betekenis rechtspraak EHRM over ‘civil right’ in de zin van art. 6 EVRM”

r.o. 4.23

“In rov. 4.3 van het arrest van 17 mei 2024 (zie onder 4.21) overweegt de Hoge Raad dat de burgerlijke rechter degene die bij hem opkomt met een vordering betreffende een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van een kerkgenootschap in beginsel niet-ontvankelijk dient te verklaren indien de gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld. Betreft de (op een burgerlijk recht gebaseerde) vordering niet een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut, ontbreekt een kerkelijke rechtsgang, kan uit hetgeen gedaagde heeft aangevoerd niet worden afgeleid dat de vordering uitsluitend in een kerkelijke rechtsgang en niet bij de burgerlijke kan worden ingesteld, of is de kerkelijke rechtsgang niet met voldoende waarborgen omkleed, dan is eiser wel ontvankelijk in zijn vordering.”

r.o. 4.33

“Ook bij de invulling van het vereiste van ‘onrechtmatige daad’ is de kerkelijke context van betekenis. Dit is in de eerste plaats het geval vanwege de werking van art. 2:2 lid 2 BW: wat van de gelaedeerde mag worden gevergd, wordt bepaald door het kerkelijk statuut, voor zover dat niet in strijd is met de wet. In de tweede plaats hebben maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen hoe dan ook een context-gebonden karakter. De kerkelijke context bepaalt ook langs die weg mede wat van – in dit geval – een kerkgenootschap ten opzichte van een van haar leden mag worden verwacht.”

r.o. 4.47

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:919
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
25 september 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:2 BW, 6:162 BW, 6:167 BW, 7:904 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 40 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.