Rechtbank Amsterdam · 10 augustus 2017
Elliott/AkzoNobel II
Machtiging bijeenroeping bava voor ontslag commissaris AkzoNobel afgewezen als prematuur
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee aandeelhouders van een beursgenoteerde vennootschap verzochten om machtiging een bijzondere algemene vergadering bijeen te roepen om te stemmen over het ontslag van de voorzitter van de raad van commissarissen (artikelen 2:110 en 2:111 BW). De rechtbank achtte hen ontvankelijk, maar wees het verzoek af als prematuur. Er was al een vergadering uitgeschreven waarin verantwoording zou worden afgelegd, en een ontslag als sanctie wordt pas in stemming gebracht nadat verantwoording is afgelegd en besproken.
Kernoverwegingen
“Aannemelijk is dat Elliott en York ten tijde van de indiening van het onderhavige machtigingsverzoek 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigden, zoals artikel 2:110 BW voorschrijft. Op het moment van indiening van het Shareholders Request op 10 april 2017 was dit echter nog niet zo. Volgens AkzoNobel vertegenwoordigden Elliott en York toen samen minder dan 6% van het geplaatste kapitaal. Zij behoorden destijds tot een grotere groep aandeelhouders die het Shareholders Request indiende. Deze groep vertegenwoordigde wél 10% van het geplaatste kapitaal. AkzoNobel en de RvC hebben aangevoerd dat Elliott en York niet ontvankelijk zijn in hun machtigingsverzoek omdat zij als verzoekers niet op beide momenten de vereiste 10% van het aandelenkapitaal vertegenwoordigden. Dit verweer gaat niet op. De wet stelt niet de eis dat de groep van 10% van de aandeelhouders die het verzoek aan het bestuur doet, hetzelfde moet zijn samengesteld als de groep van 10% die het machtigingsverzoek doet. De ratio van de bepaling is dat een drempel wordt opgeworpen tegen onvoldoende gesteunde initiatieven van aandeelhouders in die zin dat een substantiële ondersteuning dient te bestaan voor het verzoek. Daarvan is in dit geval sprake.”
r.o. 4.2
“AkzoNobel en de RvC hebben zich er verder in het kader van de ontvankelijkheid op beroepen dat het Shareholders Request onder andere omstandigheden is gedaan en anders is gemotiveerd dan het onderhavige machtigingsverzoek. In het Shareholders Request werd een bava met het ontslag van [naam 1] als agendapunt verzocht om de weg naar overname door PPG vrij te maken; met het onderhavige verzoek aan de voorzieningenrechter wordt dat ontslag beoogd omdat [naam 1] zich niet afdoende heeft willen verantwoorden over de wijze waarop de onderhandelingen met PPG zijn gevoerd. Elliott en York zouden om die reden eerst een nieuw verzoek met aangepaste onderbouwing bij het bestuur en de RvC moeten indienen, aldus AkzoNobel. Ook dit standpunt gaat niet op. Het via de rechter afdwingen van een bava kan ertoe leiden dat de vennootschap in opspraak raakt. Het in artikel 2:110 BW opgenomen voorschrift dat het verzoek eerst moet zijn voorgelegd aan het bestuur en de raad van commissarissen heeft in dit licht als strekking het bestuur en de raad van commissarissen zelf in de gelegenheid te stellen om zonder rechterlijke ingreep aan een verzoek tot bijeenroeping van de algemene vergadering, met agendering van het gewenste onderwerp, te voldoen. In het onderhavige geval staat echter vast dat het bestuur en de RvC thans niet bereid zijn het ontslag van [naam 1] op de bava van 8 september 2017 te agenderen. Dat de dialoog en de besluitvorming op een bava niet op evenwichtige wijze zouden kunnen […]”
r.o. 4.3
“Bij de beoordeling of een redelijk belang bij de verzochte machtiging bestaat als bedoeld in artikel 2:111 BW, zullen de belangen van verzoekers enerzijds en die van de vennootschap anderzijds tegen elkaar worden afgewogen. Hierbij zal mede in aanmerking worden genomen hetgeen verzoekers met het voorgestelde agendapunt en de besluitvorming hierover op de beoogde vergadering willen bereiken. Ook de belangen van AkzoNobel worden in de afweging betrokken. Elliott en York worden dus niet gevolgd in hun stelling dat slechts summierlijk mag worden getoetst of dit redelijk belang aanwezig is. In die opvatting wordt onvoldoende recht gedaan aan de grote gevolgen die de beslissing van de voorzieningenrechter kan hebben voor alle bij de vennootschap betrokkenen.”
r.o. 4.5