Rechtbank Amsterdam · 1 oktober 2026
Heropening vereffening na turboliquidatie van drie B.V.'s en benoeming onafhankelijke vereffenaar
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na turboliquidatie van drie vennootschappen verzoeken schuldeisers heropening van de vereffening op grond van artikel 2:23c BW. De rechtbank Amsterdam acht de gestelde vordering en het bestaan van baten, zoals verdwenen vermogen en een uitkering aan de aandeelhouder, bij terughoudende toetsing voldoende aannemelijk. Zij wijst daarbij op gebrekkige deponeringen als bedoeld in artikel 2:19b BW. De vereffening wordt heropend en een onafhankelijke vereffenaar benoemd.
Kernoverwegingen
“Artikel 2:23c lid 1 BW bepaalt dat als na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen en zo nodig een vereffenaar kan benoemen. Van ‘heropening’ kan ook sprake zijn als er nog niet eerder vereffend is doordat bij de ontbinding geen bekende baten aanwezig waren, zoals bij turboliquidatie het geval is. Voor toewijzing van een verzoek tot heropening van een vereffening is voldoende dat de door de verzoeker gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen. De rechtbank dient met terughoudendheid te toetsen of aan dit vereiste is voldaan.”
r.o. 5.5
“Op de vierde pagina, derde alinea, van het rapport van bevindingen staat dat zich tussen de inbeslaggenomen bescheiden een e-mail bevindt van ‘Accounting and Office Support’ aan [verweerder 1] van 7 november 2013 (tien dagen vóór het overlijden van [naam 1] ), waarin staat dat er in totaal door [naam 1] in “erkende zaken [d.w.z. zaken waarin aansprakelijkheid is erkend en dus ook de in redelijkheid gemaakte kosten van rechtsbijstand moeten worden vergoed, RvdB [mr. [naam 2] , rb]] voor een bedrag van € 99.568,01 is gedeclareerd, maar dit nog niet door ons (lees: door het kantoor van [verweerder 1] ) is gedeclareerd en/of ontvangen en doorbetaald”. [verzoekers] stellen op basis van deze passage dat zij als erfgenamen in ieder geval recht hebben op een bedrag van € 99.568,01. [verweerders] hebben hiertegen in het kader van deze procedure slechts aangevoerd dat dit standpunt al is weerlegd in de processtukken in de procedure bij de rechtbank Noord-Nederland. In die processtukken staat onder meer dat het bedrag niet klopt en dat het overzicht zou zijn gebaseerd op conceptnota’s die nooit het stadium van definitieve nota’s hebben bereikt. [verweerders] hebben in die processtukken verder aangevoerd dat uit het rapport van bevindingen van mr. [naam 2] blijkt dat [naam 1] nog een bedrag aan [bedrijven] verschuldigd was van ongeveer € 4.000,-. De rechtbank kan voor deze laatste stelling echter geen steun vinden in het rapport van mr. [naam 2] . [verweerders] hebben ook geen nadere […]”
r.o. 5.11
“De rechtbank is van oordeel dat [verzoekers] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat is gebleken van een of meer baten bij ieder van de vennootschapen. Voor [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. is daarvoor van belang dat uit hun jaarrekeningen over 2024 blijkt dat zij op 31 december 2024 ieder een eigen vermogen hadden van € 18.000,-. Op het moment van ontbinding waren die activa er niet meer. In de formulieren die [verweerder 1] en [belanghebbende] . bij de KvK hebben gedeponeerd is over deze bedragen niets vermeld, maar staat dat de vennootschappen al geruime tijd geen bezittingen meer hadden. Op zitting heeft [verweerder 1] over deze gang van zaken voor het eerst verklaard dat deze bedragen betrekking hadden op de bij de oprichting van beide vennootschapen door [bedrijf 1] B.V. als aandeelhouder te storten bedragen op de aandelen waartegenover op de balansen van [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. altijd een vordering op [bedrijf 1] B.V. van € 18.000 heeft gestaan, omdat die storting verschuldigd is gebleven. Deze twee posten konden volgens hem vóórafgaand aan de turboliquidaties tegen elkaar worden weggestreept. [verzoekers] hebben dit gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze – verder niet met stukken onderbouwde – toelichting van [verweerder 1] op zitting onvoldoende duidelijk geworden wat er is gebeurd met het bedrag van € 18.000,- op de balansen van [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V., terwijl het wel op zijn weg (en die van […]”
r.o. 5.15