Rechtbank Amsterdam · 23 januari 2026
Nietigheid en vernietigbaarheid van VvE-besluiten over bestuur, beheerder en jaarrekening afgewezen
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Jaarrekening
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee echtparen die appartementseigenaar zijn, vragen nietigverklaring of vernietiging van besluiten van hun vereniging van eigenaars over onder meer het bestuur, een externe beheerder, de jaarrekening en de kascommissie, en een vervangende machtiging. De kantonrechter toetst aan de artikelen 2:14, 2:15 en 2:8 BW (via artikel 5:124 BW) en aan artikel 2:48 BW. Zij vindt onvoldoende gronden voor nietigheid of vernietiging, ziet geen weigering zonder redelijke grond en wijst alle verzoeken af.
Kernoverwegingen
“Uit artikel 5:124 BW volgt dat op besluiten van de VvE de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing zijn. Op grond van artikel 2:14 BW is een besluit van de vergadering van eigenaars nietig als het in strijd is met de wet of de statuten. Op grond van artikel 5:129 BW wordt de akte van splitsing gelijkgesteld met de statuten.”
r.o. 4.3
“Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.”
r.o. 4.5
“De taak van de kascommissie is om de balans en de staat van baten en lasten te onderzoeken en daarvan verslag uit te brengen aan de vergadering van de VvE. Vast staat dat [naam 2] en [belanghebbende 1] tijdens de vergadering van de VvE van 23 april 2025 zijn benoemd als leden van de kascommissie. Vervolgens zijn [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] tijdens de vergadering van de VvE van 28 augustus 2025 benoemd als leden van de kascommissie en is op basis van hun toelichting de kascommissieverklaring vastgesteld. Voor zover tijdens de vergadering van de VvE van 23 april 2025 geen verslag van de kascommissie is voorgelegd, is dat later tijdens de vergadering van de VvE van 28 augustus 2025 alsnog gebeurd. De stelling van [verzoekers] dat het al ingediende verzoekschrift van 23 mei 2025 hieraan in de weg staat (omdat die procedure daardoor geen doel meer zou hebben), wordt niet gevolgd.”
r.o. 4.12