Rechtbank Amsterdam · 19 maart 2026
Ontslag bestuurders en ontbinding stichting zorgaanbieder op verzoek van het OM
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Het Openbaar Ministerie vroeg ontslag van de bestuurders van een zorgstichting en ontbinding van die stichting wegens wanbeheer en privé-onttrekkingen van Pgb-gelden. De rechtbank ontsloeg beide bestuurders op grond van artikel 2:298 BW, legde een bestuursverbod van vijf jaar op en ontbond de stichting op grond van artikel 2:21 lid 3 BW. Bij een gelieerde stichting zonder bestuur benoemde zij een bestuurder op grond van artikel 2:299 BW.
Kernoverwegingen
“De rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat [verweerder 1] en [verweerder 2] onvoldoende medewerking hebben verleend aan het onderzoek dat mr. Pandelitschka als tijdelijk bestuurder van ZVM heeft verricht. [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben geen duidelijkheid gegeven over de besteding van het vermogen van ZVM en de verlening van zorg, ondanks dat mr. Pandelitschka daar uitdrukkelijk om heeft verzocht. Dat alles bij ZVM aantoonbaar in orde is en dat voor elke uitgave een verklaring is, zoals [verweerder 1] op de mondelinge behandeling van 9 december 2025 heeft verklaard, hebben zij niet weten hard te maken. De feiten en omstandigheden die aan hun schorsing ten grondslag zijn gelegd hebben zij daarmee niet weerlegd. De rechtbank neemt deze dan ook als vaststaand aan. Wat er ook zij van de kwaliteit van het onderzoek van de GGD, in deze rechtszaak zijn [verweerder 1] en [verweerder 2] gehoord en hebben zij voldoende gelegenheid gehad om hun standpunt te onderbouwen met bewijsstukken. Dat hebben zij niet gedaan. Dat het onderzoek van de GGD fundamentele gebreken vertoont is overigens door [verweerder 1] niet concreet onderbouwd en gemotiveerd betwist door het OM.”
r.o. 3.11
“Al het voorgaande rechtvaardigt ruimschoots de conclusie dat [verweerder 1] zijn taak als bestuurder van ZVM heeft verwaarloosd en dat er gewichtige redenen bestaan op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap van [verweerder 1] redelijkerwijs niet langer kan worden geduld. De rechtbank wijst het verzoek van het OM tot ontslag van [verweerder 1] daarom toe. [verweerder 1] heeft niet gesteld dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt gelet op de aan anderen toebedeelde taken. De rechtbank legt daarom op grond van artikel 2:298 lid 3 BW [verweerder 1] een bestuursverbod op.
Ontslag [verweerder 2]”
r.o. 3.17
“Gezien de omvang van de onttrekkingen en het ontbreken van enige verantwoording daarvoor, is de rechtbank van oordeel dat de verwaarlozing van zijn taak zo ernstig is dat dit voldoende reden is voor ontslag van [verweerder 2] . De rechtbank wijst daarom dit verzoek van het OM ook toe. [verweerder 2] heeft niet gesteld dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt gelet op de aan anderen toebedeelde taken. De rechtbank legt ook hem daarom op grond van artikel 2:298 lid 3 BW een bestuursverbod op.
Ontbinding ZVM en benoeming vereffenaar”
r.o. 3.19