Rechtbank Amsterdam · 22 januari 2026
Voorlopige bewijsverrichtingen voor aansprakelijkstelling bestuurders en aandeelhouder na up-tiering afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Obligatiehouders willen de bestuurders en de indirecte aandeelhouder van een vennootschap in Nederland aansprakelijk stellen wegens een up-tiering en een latere uitwinning van zekerheden, en verzoeken vooraf om afschrift van gegevens en een voorlopig getuigenverhoor. De rechtbank wijst dit af: onvoldoende is toegelicht waarop het ernstig persoonlijk verwijt aan de bestuurders en het verwijt aan de aandeelhouder berust, en omdat de buitenlandse procedures nog lopen is het verzoek prematuur en speculatief. Toewijzing zou leiden tot een ongeoorloofde fishing expedition.
Kernoverwegingen
“Verzoeksters kunnen dan ook niet volstaan met de stellingen dat zij herhaalde malen tevergeefs hebben aangeboden Hunkemöller International extra financiering te verstrekken, dat zij door Hunkemöller International en Redwood echter overal buiten zijn gehouden, dat zij achteraf slechts summier zijn geïnformeerd, dat zij uiteindelijk met lege handen zijn achtergebleven en dat zij over de oorzaken daarvan zo hun vermoedens hebben. Deze stellingen – zo al juist – impliceren geen aansprakelijkheid van de Bestuurders en/of Holdco. Verzoeksters moeten hun verzoek op zijn minst enige daarop toegespitste inhoud geven. Dit geldt zeker nu hun verzoek zich richt op een groot aantal gegevens over een groot aantal stappen in een lang durend proces. Het verzoek zou anders ontaarden in een fishing expedition. In dit opzicht schiet het verzoek van Verzoeksters tekort. Dit wordt hierna toegelicht.”
r.o. 4.21
“Verzoeksters verwijten de Bestuurders onrechtmatig handelen, te weten handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zij lichten niet voldoende toe waarop zij dit verwijt baseren.
a. Verzoeksters erkennen dat volgens vaste (Nederlandse) rechtspraak voor ‘gewone’ bestuurdersaansprakelijkheid nodig is dat (ook) de betrokken vennootschap (in dit geval Hunkemöller International, Midco en/of Holdco) aansprakelijk (of anderszins ‘fout’) is en dat de bestuurder ter zake een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor onder 4.22 is vastgesteld, is tot dusverre in rechte niet geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. De Amerikaanse procedures lopen nog, een Engelse procedure is, naar Verzoeksters zelf stellen, in voorbereiding. Pas na afronding van deze procedures staat vast of en, zo ja, in hoeverre aan deze voorwaarde is voldaan. Tot dan toe is de stelling van Verzoeksters dat deze procedures in hun voordeel zullen uitvallen (te) speculatief. Het is daarom in strijd met artikel 196 lid 2 Rv om van Verweerders te verlangen dat zij reeds thans aan het verstrekkende verzoek om afschrift van bepaalde gegevens voldoen.
b. Hier komt bij dat Verzoeksters niet of nauwelijks duidelijk maken welk ernstig persoonlijk verwijt de Bestuurders (mogelijk) treft. Dit past ook bij hun insteek, die erop neerkomt dat zij op zoek zijn naar argumenten. Dat de Bestuurders hebben gehandeld op grond van ongerechtvaardigde motieven en evident onjuiste […]”
r.o. 4.23
“Verzoeksters verwijten ook Holdco onrechtmatig handelen. Zij geven echter ook aan dit verwijt te weinig handen en voeten. Bedacht moet worden dat de drempel voor aandeelhoudersaansprakelijkheid nog hoger ligt dan die voor bestuurdersaansprakelijkheid. Verzoeksters maken ook ten aanzien van Holdco niet of nauwelijks duidelijk wat hun verwijt is en waarop zij dat baseren. Verweerders voeren aan dat Holdco niet betrokken is geweest bij de Up-Tiering en dat haar rol bij de Herstructurering/uitwinning van de zekerheden niet noemenswaardig is geweest. Verzoeksters gaan op dit verweer niet of nauwelijks is, terwijl dit wel op hun weg had gelegen.
Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor”
r.o. 4.24