Rechtbank Amsterdam · 22 mei 2026
Homologatie WHOA-liquidatieakkoord vof met kwijting vennoten via derdenbeding
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een vennootschap onder firma en haar vennoten vragen homologatie van een WHOA-liquidatieakkoord, waarin de schuldeisers van de vof ook de vennoten in privé kwijting verlenen via een derdenbeding. De rechtbank oordeelt dat de akkoordprocedure openstaat voor een vof en dat het derdenbeding past in het systeem van de wet. Zij ziet geen afwijzingsgronden en homologeert het akkoord.
Kernoverwegingen
“[schuldenaars] heeft 16 december 2025 als fixatiedatum voor haar schulden gekozen, en is gestart met de voorbereiding van een schuldeisersakkoord waarbij zij – met enige uitzonderingen – de schulden die vóór de fixatiedatum zijn ontstaan heeft betrokken. In het akkoord worden deze schulden van de VOF, en de schulden van de vennoten, voortvloeiende uit de activiteiten van de VOF, betrokken. Het akkoord bepaalt dan ook dat door de schuldeisers van de VOF finale kwijting wordt verleend niet alleen aan de VOF maar ook aan de vennoten in privé, in de vorm van een derdenbeding zoals bedoeld in art. 6:253 BW ten behoeve van de vennoten in privé.”
r.o. 3.1
“Uit artikel 369 Fw volgt, dat de onderhandse akkoordprocedure is bedoeld voor de herstructurering van de schulden van ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm. Dat betekent, dat een akkoord ook kan zien op een vennootschap onder firma (VOF). In dat geval kan het akkoord bepalen dat dit wordt aangeboden door de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten aan de schuldeisers van de VOF, en (alleen) ziet op de herstructurering van de schulden van de VOF die vallen in het afgescheiden vermogen — dus niet de vennoten in privé en hun schulden.
Ontvankelijkheid”
r.o. 5.3
“artikel 384 lid 2 sub b t/m i Fw Ook overigens zijn er geen algemene afwijzingsgronden aanwezig. Er is sprake van een akkoord met bijlagen dat de in de wet voorgeschreven informatie bevat. Het akkoord en de toelichting op het akkoord bevatten de informatie die de stemgerechtigden nodig hebben om zich daarover een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen. De stemgerechtigden zijn in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verkrijgen. De stemgerechtigden zijn op de juiste wijze in kennis zijn gesteld van het akkoord en van de dagbepalingsbeschikking. De stemgerechtigden hebben voldoende bedenktijd gehad. Dat geldt ook voor het [schuldeiser 5] die – ondanks een (uitsluitend ten behoeve van haar) verruimde bedenktijd – niet tijdig tot een stem heeft kunnen komen. De in het akkoord gehanteerde klassenindeling voldoet aan de vereisten van artikel 374 Fw. De stemgerechtigden zijn voor het juiste bedrag toegelaten tot de stemming. Voor de vordering van [schuldeiser 2] geldt, dat de onjuiste opname op de lijst niet aan [schuldenaars] kan worden verweten, nu [schuldeiser 2] reeds eerder in de gelegenheid is gesteld haar vordering op juistheid te controleren maar op dat moment niet over de onjuistheid heeft geklaagd (artikel 383 lid 9 Fw). Daarbij komt dat niet valt in te zien dat, als de juiste (hogere) vordering in het akkoord was betrokken, dit zou hebben geleid tot een andere stemuitslag (artikel 384 lid 2 sub d Fw). Ook in dat geval zou de weigeringsgrond van artikel 384 lid 2 […]”
r.o. 5.7