← Week 25

Rechtbank Amsterdam · 11 juni 2026

Verzet schuldeisers tegen juridische fusie ongegrond: vermogenstoestand in artikel 2:316 lid 2 BW

  • Fusie en splitsing
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Certificaathouders van een voormalige holding, onder wie een gesanctioneerde rechtspersoon, komen als gestelde schuldeisers in verzet tegen een juridische fusie op grond van artikel 2:316 lid 2 BW. De rechtbank beschouwt hen als schuldeisers, maar oordeelt dat met vermogenstoestand de financiële toestand wordt bedoeld en dat die geen reële twijfel geeft over voldoening van hun vorderingen. Zij maken niet aannemelijk dat verhaal feitelijk onmogelijk wordt; verlies van enquêtebevoegdheid en onmogelijke ongedaanmaking van een aandelenverkoop zijn geen beschermde belangen. Het verzet wordt opgeheven.

Kernoverwegingen

“Het recht van verzet komt toe aan alle schuldeisers die een vordering hebben op de bij de fusie betrokken vennootschappen, of die stellen een vordering op die vennootschappen te hebben. Ook indien die vordering wordt betwist kan de rechter het verzet gegrond verklaren, tenzij en voor zover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht. De rechtbank neemt hiermee de maatstaf over die voor soortgelijke verzetsrechten van schuldeisers geldt, zoals bij een besluit tot kapitaalvermindering of de intrekking van een 403-verklaring.”

r.o. 4.4

“De rechtbank neemt tot uitganspunt dat met vermogenstoestand in de zin van artikel 2:316 lid 2 BW wordt bedoeld de financiële toestand van de bij de fusie betrokken vennootschappen. Zij wijst erop dat het bewuste artikellid in 2011 naar aanleiding van de implementatie van gewijzigde Europese regelgeving voor verslaggevings- en documentatieverplichtingen bij fusies en splitsingen is gewijzigd. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat deze wijziging op grond van het volgende artikel uit de Richtlijn 2009/109/EG is doorgevoerd:

“2. Daartoe bepalen de wetgevingen van de lidstaten ten minste dat deze schuldeisers recht hebben op passende waarborgen wanneer de financiële toestand [onderstreping rechtbank] van de vennootschappen die de fusie aangaan, deze bescherming nodig maakt en deze schuldeisers niet reeds over dergelijke waarborgen beschikken.

De lidstaten stellen de voorwaarden vast voor de in lid 1 en in de eerste alinea van dit lid bedoelde bescherming. De lidstaten dragen er in elk geval zorg voor dat de bovenbedoelde schuldeisers zich tot de bevoegde administratieve of gerechtelijke instantie kunnen wenden om adequate waarborgen te verkrijgen, mits zij op geloofwaardige wijze kunnen aantonen dat de voldoening van hun vorderingen als gevolg van de fusie in het gedrang is, en dat van de vennootschap geen adequate waarborgen zijn verkregen.””

r.o. 4.12

“SBK c.s. heeft in haar verzoek niets gesteld over een verslechtering van de financiële toestand van Bidco na de Fusie die zou leiden tot reële twijfel omtrent de voldoening van de vorderingen van SBK c.s. op Bidco. Fortenova c.s. heeft op haar beurt aan de hand van financiële stukken toegelicht dat de balanswaarde van Bidco ruimschoots die van Midco en Holdco overstijgt, dat Midco en Holdco een positief eigen vermogen hebben en dat Bidco na de Fusie ruimschoots in staat moet worden geacht om een eventuele vordering van SBK c.s. te voldoen. SBK c.s. heeft hier niets tegenover gesteld. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de financiële toestand van Bidco na de Fusie geen aanleiding geeft voor reële twijfel over voldoening van eventuele vorderingen van SBK c.s. op Bidco. Dit betekent dat haar verzet in beginsel ongegrond moet worden verklaard.”

r.o. 4.13

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:5779
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
11 juni 2026
Datum publicatie
17 juni 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:316 BW, 2:136 BW, 2:100 BW, 2:404 BW
Thema
Fusie en splitsing
Weekoverzicht
Week 25 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.