← Week 31

Rechtbank Amsterdam · 15 juli 2026

Vrijwaring tegen voormalige stichtingsbestuurders afgewezen: terugbetaling van lening is geen schade

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een stichting die in een hoofdzaak is veroordeeld tot terugbetaling van renteloze geldleningen, vordert in vrijwaring vergoeding van twee voormalige bestuurders wegens schending van wettelijke en statutaire bestuurdersverplichtingen, waaronder de administratie- en doelomschrijvingsregels uit Boek 2 BW. De rechtbank wijst dit af: terugbetaling van een lening waartoe de stichting contractueel gehouden was, is geen schade. De rente en kosten zijn het gevolg van een keuze van de stichting toen de bestuurders al waren ontslagen.

Kernoverwegingen

“De standpunten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de betalingen, de ontvangst daarvan door SWM en dat renteloze geldleningen zijn verstrekt zijn onvoldoende gemotiveerd betwist door SWM. In de hoofdzaak zijn die verweren van SWM ook verworpen. Daarom dient ook in deze Vrijwaringszaak tot uitgangspunt de juistheid van het hier bedoelde betoog van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Daaruit volgt dat SWM haar beweerde schade als gevolg van het aflossen van de aan haar verstrekte geldleningen, onvoldoende heeft onderbouwd. Anders gezegd: SWM is veroordeeld om een lening terug te betalen en dus om iets te doen waartoe zij op basis van een gesloten overeenkomst gehouden was. Dit is geen schade en leidt op zichzelf dus ook niet tot een aanspraak van SWM jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze Vrijwaringszaak. Daar is meer voor nodig.”

r.o. 4.5

“Het beroep van SWM op de wettelijke en statutaire verplichtingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (als bestuurders van SWM) is daarvoor onvoldoende. De stellingen van SWM over die wettelijke en statutaire verplichtingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gaan allemaal over hun handelingen bij de renteloze geldleningen die centraal staan in de Hoofdzaak. Zelfs als aannemelijk zou zijn dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd met een wettelijke en statutaire verplichting jegens SWM hebben gehandeld door de betalingen aan SWM namens de vijf kinderen van [gedaagde 1] te accepteren als een renteloze geldlening, betekent dat niet dat SWM schade heeft geleden en – zoals hierboven al is overwogen – en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden zijn te betalen aan SWM.”

r.o. 4.6

“De stelling van SWM dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de ontvangen geldsommen hebben aangewend voor een ander doel dan de doelomschrijving van SWM blijkt uit niets. SWM heeft ook nagelaten feiten en omstandigheden te stellen die een dergelijk verwijt kunnen staven. Dit geldt eveneens voor de niet onderbouwde bewering van SWM dat [gedaagde 1] en zijn echtgenote slechts betalingen aan SWM hebben verricht om die geldsommen tijdelijk uit het familievermogen te houden.”

r.o. 4.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7677
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:10 BW, 2:7 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 31 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.