← Week 37

Rechtbank Amsterdam · 2 september 2026

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens betalingsonwil en misbruik van turboliquidatie; onrechtmatige daad in groepsverband

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een leverancier vordert betaling van openstaande facturen van een afnemende vennootschap die na dagvaarding via turboliquidatie is ontbonden, en spreekt ook de bestuurder en een tweede vennootschap met haar bestuurder aan. De rechtbank neemt betalingsonwil aan, omdat de bestuurder de verdwenen activa niet verklaarde en de deponerings- en mededelingsplicht van artikel 2:19b BW niet naleefde. De bestuurder is persoonlijk aansprakelijk wegens misbruik van de turboliquidatie. De tweede vennootschap en haar bestuurder zijn aansprakelijk wegens onrechtmatige daad in groepsverband.

Kernoverwegingen

“De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat alleen een rechtspersoon zelf aansprakelijk is voor haar schulden. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder naast de rechtspersoon kan echter aanleiding bestaan, als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor aan de wederpartij schade berokkent, terwijl dit handelen of nalaten ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Van een dergelijk persoonlijk ernstig verwijt zal in het algemeen geen sprake zijn als sprake is van betalingsonmacht van de rechtspersoon. Dit zal echter wel het geval zijn wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die wijzen op betalingsonwil aan de zijde van de bestuurder.”

r.o. 4.6

“De rechtbank constateert dat [gedaagde 3] enig bestuurder en ook (indirect) enig aandeelhouder was van [gedaagde 1] , zodat hij volledige zeggenschap over deze rechtspersoon had. Gelet op de gemotiveerde stellingen van [eiser] mag daarom van hem worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat [gedaagde 1] niet in staat was [eiser] te betalen – en dat het dus niet ging om betalingsonwil. Dat heeft hij niet gedaan. [gedaagde 3] heeft pas op de zitting aangevoerd dat het niet goed ging met het bedrijf en dat dit vooral lag aan de slechte kwaliteit van de door [eiser] geleverde producten, haar enige leverancier. Dat standpunt heeft hij niet met verdere (financiële) stukken onderbouwd, terwijl hij wel geacht wordt hierover te beschikken. De rechtbank is met [eiser] eens dat in ieder geval niet uit de correspondentie tussen partijen volgt dat de door [eiser] geleverde producten niet voldeden. Daaruit blijkt dat slechts over de laatste twee leveringen klachten waren (zie onder 2.9), waarvoor toen een regeling is getroffen. Bij die stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat sprake is geweest van betalingsonwil aan de zijde van [gedaagde 3] , wat betekent dat hij als bestuurder ervoor heeft gezorgd dat [gedaagde 1] haar verplichtingen niet nakwam.”

r.o. 4.7

“De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat [gedaagde 3] onvoldoende heeft kunnen ophelderen waarom de activa van de vennootschap voorafgaand aan de turbo-liquidatie zijn verdwenen of in ieder geval niets waard waren. Als het om de stelling van de onbruikbare voorraad aan producten gaat, wijst de rechtbank op haar oordeel hierover in 4.7 hiervoor. Dat de overige activa een inmiddels volledig afgeschreven machine betrof, is niet nader onderbouwd met stukken. In het verlengde van wat de rechtbank in 4.7 hiervoor heeft overwogen over de op [gedaagde 3] rustende (verzwaarde) motiveringsplicht als bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] , had dit wel op zijn weg gelegen. Daar komt nog bij dat op [gedaagde 3] als bestuurder bovendien de wettelijke plicht rustte om de in artikel 2:19b BW genoemde gegevens te deponeren na de turbo-liquidatie. Het gaat onder meer om een balans en een staat van baten en lasten met betrekking tot het boekjaar waarin de rechtspersoon is ontbonden en het voorgaande boekjaar als er op het moment van ontbinding over dat jaar nog geen jaarrekening openbaar is gemaakt, een beschrijving van de oorzaak van het ontbreken van baten op het tijdstip van de ontbinding en – voor zover aan de orde – de wijze waarop de baten van de rechtspersoon te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld, als ook de redenen waarom een schuldeiser of schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. [gedaagde 3] heeft daarmee ook verzaakt om na […]”

r.o. 4.9

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:8477
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
9 september 2026
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:19 BW, 2:19b BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
Aangesproken
beide
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 37 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.