← Week 36

Rechtbank Amsterdam · 5 juni 2026

Vennoot bindt vof aan huurovereenkomst reclamebord zonder toestemming andere vennoten

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een verhuurder van reclameborden vordert betaling van huurtermijnen van een vof en twee vennoten. De vof stelt dat de overeenkomst, ondertekend door een toenmalige vennoot, pas bindend zou worden na toestemming van de andere vennoten. De kantonrechter oordeelt dat de ondertekenende vennoot de vof kon binden en heeft gebonden, omdat het document geen voorwaarden noemt en de stelling onvoldoende is onderbouwd. De vordering wordt grotendeels toegewezen en de vof en de vennoten worden hoofdelijk veroordeeld.

Kernoverwegingen

“De eerste vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of er bindende overeenkomst tussen partijen is gesloten. Gedaagden voeren namelijk aan dat zij erop mochten vertrouwen dat het plaatsen van de handtekening op het document nog geen definitieve overeenkomst betekende. Zij stellen dat [naam] , na de ondertekening, eerst nog toestemming zou vragen aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en dat ook zo met NPB Media had afgesproken. Pas als die toestemming er was zou de overeenkomst tot stand komen. De handtekening is gezet zodat de overeenkomst na de toestemming direct kon worden uitgevoerd. NPB Media weerspreekt dat partijen zouden hebben afgesproken dat eerst nog toestemming van de andere vennoten zou worden verkregen.”

r.o. 4.1

“De kantonrechter overweegt dat de zoon van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op het moment dat hij vennoot was van [bedrijf] V.O.F., de V.O.F. kon binden aan een overeenkomst met NPB Media en dat ook heeft gedaan. Het is niet in geschil dat er verschillende contactmomenten zijn geweest tussen [naam] en NPB Media voorafgaand aan de ondertekening van het document. Tijdens één van deze momenten is de locatie voor het reclamebord bekeken en hebben [naam] en NPB Media vervolgens het document ondertekend op de bedrijfslocatie van [bedrijf] V.O.F. Hiermee is het aanbod van NPB Media voor de huur van het reclamebord door [naam] aanvaard en is een overeenkomst tot stand gekomen. Gelet op de ondertekening van het document dat geen nadere voorwaarden voor de gebondenheid van de V.O.F. omschrijft, is de enkele stelling van gedaagden dat het de bedoeling was dat er nog toestemming moest komen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (destijds de andere vennoten) en NPB Media daarvan op de hoogte was, zonder nadere onderbouwing en bij betwisting door NPB Media onvoldoende om vast te stellen dat gedaagden erop mochten vertrouwen dat de gebondenheid van de V.O.F. aan die toestemming voorwaardelijk was.

NPB Media mocht de overeenkomst uitvoeren”

r.o. 4.2

“De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.”

r.o. 4.15

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:8617
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
5 juni 2026
Datum publicatie
2 september 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 36 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.