← Week 37

Rechtbank Amsterdam · 17 juni 2026

Coöperatie mocht lid geen boete opleggen: statutaire grondslag ontbreekt

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een coöperatie legde een lid een boete op wegens het te laat aanleveren van omzetcijfers met accountantsverklaring en verrekende die met de uit te betalen omzet. De rechtbank oordeelt, met toepassing van artikel 2:27 lid 4, artikel 2:53a en artikel 2:34a BW, dat een verplichting van leden een specifieke statutaire grondslag moet hebben. Na uitleg van de statuten blijkt dat de boetebevoegdheid beperkt is tot andere ledenverplichtingen dan de meldingsplicht. De coöperatie moet het ingehouden bedrag daarom terugbetalen, met wettelijke handelsrente.

Kernoverwegingen

“Artikel 2:27 lid 4 aanhef en onder c Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt (via artikel 2:53a BW) dat de statuten de verplichtingen moeten bevatten die de leden tegenover de coöperatie hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd. Verder bepaalt artikel 2:34a BW dat voor verbintenissen die aan het lidmaatschap kunnen worden verbonden, een statutaire basis moet bestaan. Een vermogensrechtelijke verplichting moet dus teruggevoerd kunnen worden op een (specifieke) statutaire bepaling. Dat de boete ‘te laat’ is opgenomen in het sanctiebeleid van RFH maakt op zichzelf dus niet dat RFH bevoegd is tot het opleggen daarvan. De achtergrond daarvan is dat iemand die lid wordt van de coöperatie moet weten welke verplichtingen hij heeft of aan hem kunnen worden opgelegd. Dat betekent niet dat een op te leggen boete in de statuten al geheel uitgewerkt moet zijn. Aan de eis dat een verplichting van de leden is opgenomen in de statuten is voldaan als de verplichting voor de leden uit de statuten kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn.”

r.o. 4.2

“De rechtbank is van oordeel dat in de statuten geen algemene boetebevoegdheid staat. Weliswaar bepaalt artikel 19 lid 7 statuten dat de raad van commissarissen een sanctiebeleid opstelt en de maximum boetebedragen vaststelt, maar gezien de bewoordingen van lid 7 (“(…)stelt het sanctiebeleid en de in dit artikel bedoelde (maximum) boetebedragen vast(…)”), ziet lid 7 op de boetes die hun grondslag vinden in artikel 19. Artikel 19 lid 1 verwijst daarbij weliswaar naar artikel 18 lid 1, waarin staat dat de leden zich door toetreding onderwerpen aan alle bepalingen van de statuten en aan alle voorschriften, reglementen en verdere besluiten van de coöperatie, maar dat is een zó algemene verplichting dat daarin geen statutaire grondslag kan worden gevonden voor het opleggen van de boete ‘te laat’. Een dergelijke ruime interpretatie zou afdoen aan het wettelijke voorschrift (artikel 2:27 lid 4 sub c BW) om de verplichtingen van de leden van de coöperatie in de statuten vast te leggen, en ook aan de bedoeling daarvan, namelijk dat een (aspirant) lid bij het aangaan van een lidmaatschap moet weten welke verplichtingen aan hem kunnen worden opgelegd. Van een boetebevoegdheid wegens schending van de algemene verplichting van artikel 18 lid 1 statuten is naar objectieve maatstaven dan ook geen sprake.”

r.o. 4.5

“RFH stelt verder dat de bevoegdheid om de boete ‘te laat’ op te leggen kan worden gevonden in de samenhang tussen artikel 18 en 19 statuten. Zij wijst daarbij met name op de samenhang tussen de meldingsplicht (artikel 18 lid 5 statuten) en de afrekenplicht (artikel 18 lid 2 statuten). Dat de bevoegdheid om een boete op te leggen bij overtreding van artikel 18 lid 1 tot en met 3 statuten wél expliciet in de statuten is opgenomen is naar het oordeel van de rechtbank echter een aanwijzing dat die bevoegdheid uitdrukkelijk is beperkt tot die leden. Artikel 18 lid 5 stond bovendien ook al in de eerste versie van de statuten, zodat het ervoor moet worden gehouden dat er bij het opstellen van de statuten bewust voor is gekozen om enkel in de statuten op te nemen dat een boete kan worden opgelegd bij overtreding van lid 1 tot en met 3 van artikel 18 statuten. Dat pleit voor een uitleg conform de bewoordingen van de statuten. Die bewoordingen zijn weliswaar niet doorslaggevend maar wegen wel mee. Voor de hiervoor bedoelde uitleg pleiten ook de volgende argumenten.”

r.o. 4.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:8774
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
17 juni 2026
Datum publicatie
8 september 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:27 BW, 2:53a BW, 2:34a BW, 6:119a BW, 6:96 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 37 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.