← Week 38

Rechtbank Amsterdam · 16 juli 2026

Inzagerecht gezamenlijk bevoegd bestuurder in administratie van twee vennootschappen

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een bestuurder van een beleggings-B.V. en van haar enig aandeelhouder vordert in kort geding inzage in de administratie van beide vennootschappen van zijn mede-bestuurder, die de administratie voert. De voorzieningenrechter oordeelt dat een gezamenlijk bevoegd bestuurder op grond van artikel 2:8, 2:9 en 2:10 BW een eigen belang bij inzage heeft en dat artikel 2:239 lid 6 BW, dat bestuursbesluitvorming betreft, daaraan niet in de weg staat. De inzage wordt toegewezen met dwangsom, net als medewerking aan verkoop van een onverdeeld perceel uit de nalatenschap.

Kernoverwegingen

“[eiser] vordert inzage in de administratie van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in zijn hoedanigheid van gezamenlijk bevoegd bestuurder. In die hoedanigheid heeft hij op grond van artikel 2:8, 2:9 en 2:10 BW een eigen, rechtens te respecteren belang. [eiser] hoeft daarbij niet letterlijk ‘in de hoedanigheid van bestuurder’ [gedaagde 1] in rechte te betrekken. Het beroep van [gedaagde 1] op artikel 2:239 lid 6 BW, dat er eerst door [gedaagde 2] een besluit had moeten worden genomen, gaat niet op. Die bepaling ziet op bestuursbesluitvorming, niet op het inzagerecht van (één van) de bestuurder(s).”

r.o. 4.2

“[gedaagde 1] heeft erkend dat hij vanuit zijn eenmanszaak [bedrijf] de administratie van [gedaagde 2] heeft gevoerd en dat [eiser] een recht heeft op inzage in die administratie. [gedaagde 1] heeft gemeld dat het geen onwil is dat hij niet alle administratie heeft verstrekt, maar dat hij er de tijd niet voor had of dat hij bepaalde stukken zelf ook niet had. Dat maakt echter dat [gedaagde 1] nog steeds de stukken moet verstrekken die hij wel heeft. Het verweer van [gedaagde 1] dat de administratie inhoudelijk niet veel inhoudt en slechts zou bestaan uit 12 bankafschriften per jaar met slechts daarop 12 keer een betaling van de bankkosten, 1 of 2 keer de vennootschapsbelasting en 1 keer een betaling van een nota aan [bedrijf] (als vergoeding voor het voeren van de administratie) en dat [eiser] deze bankafschriften zelf ook kan downloaden, gaat niet op, en doet ook niet af aan het recht tot inzage dat [eiser] wel heeft, en [gedaagde 1] ook erkent. [eiser] heeft ook (spoedeisend) belang bij deze stukken, ter onderbouwing van zijn vordering tot verdeling, omdat beide partijen geld hebben geleend van en dus een schuld hebben bij [gedaagde 2] , maar [eiser] niet weet wat de actuele hoogte van die schuld is.”

r.o. 4.3

“Ten aanzien van [gedaagde 3] heeft [eiser] ook voldoende belang bij inzage in die administratie. Hoewel [gedaagde 1] inderdaad geen (concrete) opdracht had gekregen om via zijn eenmanszaak [bedrijf] de administratie van [gedaagde 3] te voeren, is hij wel degene die feitelijk de dividenduitkeringen deed. Daarom is ook het verweer van [gedaagde 1] dat [gedaagde 3] feitelijk niks is en er dus geen administratie is die hij kan overleggen, niet houdbaar. In ieder geval valt niet uit te sluiten dat er enige (e-mail)correspondentie is over bijvoorbeeld de dividenduitkering. Alles wat er wél is, dient [gedaagde 1] dan ook met [eiser] te delen.”

r.o. 4.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9124
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 2:9 BW, 2:10 BW, 2:239 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 38 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.