Rechtbank Den Haag · 19 maart 2026
Ontslag stichtingsbestuurders afgewezen; belanghebbende, tegenstrijdig belang, artikel 2:298 BW
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een oud-bestuurder en een donateur/vrijwilliger van een stichting verzochten de rechtbank om ontslag van de bestuurders op grond van artikel 2:298 BW. De donateur is niet-ontvankelijk, omdat hij geen belanghebbende is. De rechtbank wijst het verzoek van de oud-bestuurder af, omdat de gestelde taakverwaarlozing en het tegenstrijdig belang van de voorzitter onvoldoende zijn onderbouwd en voor ontslag een hoge drempel geldt.
Kernoverwegingen
“De rechtbank kan, op grond van artikel 2:298 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op verzoek van iedere belanghebbende of het Openbaar Ministerie een bestuurder van een stichting ontslaan op onderstaande gronden:
- verwaarlozing van zijn taak;
- andere gewichtige redenen;
- ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van
zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld;
- het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de
rechtbank ingevolge artikel 297 gegeven bevel.
De rechtbank merkt hierbij op dat voor ontslag van bestuurders van een stichting een hoge drempel geldt. De rechtbank moet terughoudend toetsen, want ontslag is een middel dat zwaar ingrijpt in het bestuur van een stichting en verstrekkende gevolgen heeft voor de bestuurder(s), mede vanwege het aan het ontslag gekoppelde bestuursverbod.
Kunnen verzoekers worden aangemerkt als belanghebbenden?”
r.o. 4.2
“Met betrekking tot [verzoeker 1] voeren verweerders tevens aan dat een oud-bestuurder enkel als belanghebbende kan kwalificeren als de aangevoerde gronden betrekking hebben op een periode waarin hij bestuurder was en het verzoek binnen een redelijke termijn nadien is ingediend. Volgens verweerders zijn beide punten niet aan de orde. Verzoekers hebben hiertegenover voldoende onderbouwd dat de aangevoerde gronden voor het ontslag van het bestuur gedeeltelijk teruggaan op de periode waarin [verzoeker 1] bestuurder van de Stichting was, zoals het gestelde tegenstrijdig belang aan de zijde van [verweerder 1] , en dat het verzoek binnen een redelijke termijn is ingediend, aangezien in de periode na het ontslag van [verzoeker 1] meermaals is getracht een procedure te voorkomen door in gesprek te gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verzoeker 1] als oud-bestuurder van de Stichting wel als belanghebbende moet worden aangemerkt.”
r.o. 4.4
“Verweerders stellen met betrekking tot [verzoeker 2] dat hij nooit als bestuurder, toezichthouder of op andere wijze functioneel betrokken is geweest bij de Stichting. Een donatie schept volgens verweerders geen juridische positie en geen betrokkenheid die onder de tweekringenleer zou vallen. Verweerders voeren hiertoe tevens aan dat de Stichting 260 donateurs heeft. Indien [verzoeker 2] als belanghebbende wordt gekwalificeerd geldt dat ook voor alle overige donateurs en dat is volgens verweerders, met het oog op de restrictieve uitleg van het begrip belanghebbende niet wenselijk. De rechtbank volgt verweerders in dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat [verzoeker 2] donateur en vrijwilliger is onvoldoende om hem op basis van de tweekringenleer aan te merken als belanghebbende. Het feit dat hij ook namens andere donateurs op zou treden, zoals verzoekers hebben gesteld, maakt dit niet anders.”
r.o. 4.5