Rechtbank Den Haag · 20 mei 2026
Bestaan, ontbinding en verdeling vof tussen echtgenoten; deskundigen voor waardering
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Personenvennootschappen
- Aandelenwaardering
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een geschil tussen echtgenoten over een vof waarin zij samen een juwelierszaak dreven. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een vof met een 50/50 aandeel en dat de vof door opzegging is ontbonden. Bij de verdeling wordt de onderneming going concern gewaardeerd, na aftrek van de aangetoonde inbreng van de voortzettende vennoot. Deskundigen worden voorgelegd en verdere beslissingen worden aangehouden.
Kernoverwegingen
“Uit het bepaalde in artikel 16 WvK in verbinding met artikel 7A:1655 BW volgt dat de vennootschap onder firma (i) een overeenkomst is, (ii) gericht op de - duurzame - samenwerking tussen twee of meer personen, (iii) teneinde een gemeenschappelijk vermogensrechtelijk voordeel te behalen, (iv) ter bereiking van welk doel de partijen zich jegens elkaar verbinden tot inbreng, (v) die dient tot uitoefening van een bedrijf en (vi) die onder een gemeenschappelijke naam is aangegaan.”
r.o. 4.3
“Uit artikel 7A:1670 lid 1 BW volgt dat als bij de vennootschapsovereenkomst niet is bepaald dat wat het aandeel van iedere vennoot in de winsten en de verliezen is, ieders aandeel evenredig is aan hetgeen hij in de maatschap heeft ingebracht. Aan de beoordeling van de inbreng van [partij A] komt de rechtbank op dit punt echter niet toe. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] de stelling van [partij A] dat partijen zijn overeengekomen dat ieders aandeel 50% bedraagt namelijk onvoldoende gemotiveerd betwist. Het standpunt van [partij B] komt er op neer dat zijn inbreng - zowel qua vermogen als qua arbeid - veel omvangrijker is geweest dan de inbreng van [partij A] en dat hij de zaken met de kennis van nu destijds anders had geregeld. Dit neemt echter niet weg dat in de periode 2006 tot en met 2023 in de jaarrekeningen, belastingaangiften en in de UBO-opgave van de vof steeds van een 50/50 aandeel is uitgegaan en ook de belastingadviseur van partijen ( [belastingadviseur] ), die hen al bijstond ten tijde van de oprichting van de vof, is daarvan blijkens zijn onder 4.5 bedoelde e-mail uitgegaan. Nu [partij B] de stelling van [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, stelt de rechtbank vast dat partijen een verdeling van 50/50 zijn overeengekomen.
Is de vof geëindigd en, zo ja, wanneer?”
r.o. 4.8
“Ingevolge het bepaalde in artikel 7A:1683 onder 3 BW wordt de vennootschap onder firma ontbonden door opzegging van een vennoot aan de andere vennoten. [partij A] heeft de vof opgezegd per datum dagvaarding. Van die opzeggingsverklaring is geen vernietiging gevorderd, zoals artikel 7A:1686 lid 1 BW mogelijk maakt als de opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid is geschied. [partij B] gaat uit van een eerdere ontbindingsdatum (31 december 2024) omdat de samenwerking toen feitelijk zou zijn verbroken. [partij B] heeft de vof echter niet tegen die datum opgezegd. De conclusie moet dus zijn dat de vof is ontbonden per datum dagvaarding, zijnde 14 augustus 2025.
Verdeling”
r.o. 4.9