Rechtbank Den Haag · 3 juni 2026
Dagvaarding vof of vennoot: identiteit procespartij en vertegenwoordiging vof in liquidatie
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
In een koop/aanneming-geschil over installaties voor kassen is onduidelijk of de leverancier een vennootschap onder firma (vof) of haar vennoot heeft gedagvaard. De rechtbank oordeelt aan de hand van de processtukken dat alleen de vof procespartij is en laat een eiswijziging toe die de vennoot hoofdelijk aansprakelijk wil stellen op grond van artikel 18 WvK niet toe. Een ontbonden vof in liquidatie kan zelfstandig blijven procederen, vertegenwoordigd door een vennoot-vereffenaar met volmacht van de medevennoot.
Kernoverwegingen
“De vraag wat de hoedanigheid en identiteit van een betrokken gedaagde procespartij is, vergt uitleg van de processtukken van partijen. Hierbij fungeert de wilsvertrouwensleer als maatstaf. Het gaat er om wat de betrokkenen uit die processtukken hebben begrepen of althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen (artikelen 3:33, 3:35 en 3:59 BW). Daarbij geldt ook dat strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van het dagvaardingsexploot, in verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij. Een eisende partij moet dus helder omschrijven wat de hoedanigheid en identiteit is van de eisende partij en van de gedaagde partij en die omschrijving weegt zwaar bij de beoordeling van de vraag welke (rechts)persoon in rechte is betrokken.”
r.o. 2.6
“Tussen partijen is niet in geschil dat één van de twee overeenkomsten van 30 mei 2012 (‘de overeenkomsten’) – die de basis vormen van alle vorderingen in deze procedure – is gesloten tussen Lek en de VOF (toen nog geheten: [handelsnaam 1] ). De VOF had twee vennoten: [vennoot 1] en zijn echtgenote [vennoot 2] ’). Lek heeft op basis van de overeenkomsten een vordering tot betaling van facturen ingesteld. Uit het exploot van dagvaarding blijkt dat Lek als gedaagde partij 1 heeft gedagvaard: ‘[vennoot 1] voorheen h.o.d.n. [handelsnaam 1]’, in de dagvaarding vervolgens verkort aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’. Deze partijomschrijving is niet heel duidelijk: enerzijds wordt de naam van de vennoot genoemd ( [vennoot 1] ), anderzijds wordt verwezen naar de handelsnaam van de VOF ( [handelsnaam 1] ). Uit de toelichting van het geschil en de vordering in de dagvaarding blijkt echter onmiskenbaar dat het de bedoeling van Lek is geweest om de wederpartij te dagvaarden met wie zij destijds de overeenkomst heeft gesloten. Niet ter discussie staat dat dit de VOF was, toen handelend onder de naam [handelsnaam 1] (en sinds 1 augustus 2015 handelend onder de naam ‘ [partij B sub1] ’). Voor Lek moet ook duidelijk zijn geweest dat de contractspartij [handelsnaam 1] een vennootschap onder firma was, want Lek heeft bij de dagvaarding als productie 4 een uittreksel uit het handelsregister van de VOF overgelegd en zij werd bijgestaan door een advocaat. Nergens uit de dagvaarding blijkt dat het […]”
r.o. 2.7
“[partij B sub1] mocht dan ook ervan uitgaan dat tussen partijen niet in geschil was wie door Lek als procespartij in rechte was betrokken, namelijk de contractuele wederpartij bij de overeenkomst: de VOF [partij B sub1] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] . Dat de rechtbank in de eerdere tussenvonnissen de procespartij heeft omschreven als ‘ [vennoot 1] ’ (en niet als [partij B sub1] ), vloeit voort uit het feit dat Lek in de dagvaarding zelf onvoldoende duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat zij een vennootschap onder firma had gedagvaard en dat de hoedanigheid, de identiteit of de vorderingsgerechtigheid van partij [partij B sub1] tot voor kort nooit een onderwerp van geschil zijn geweest. Uit het voorgaande volgt evenwel dat de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat de VOF de door Lek gedagvaarde procespartij is en dat de VOF een vordering in reconventie heeft ingesteld. Het stond [gedaagden] dan ook vrij om de onduidelijkheid in de partijnaam in haar latere conclusie van 15 oktober 2025 te rectificeren en te verduidelijken dat procespartij is: ‘ [partij B sub1] VOF’ (in liquidatie), teneinde te voorkomen dat in een latere (executie)fase onduidelijkheden bestaan ten aanzien van de vraag tussen welke partijen het vonnis rechtskracht heeft.”
r.o. 2.9