← Week 24

Rechtbank Den Haag · 28 mei 2026

Kort geding: schorsing bestuurder en verbod uitoefening prioriteitsrechten wegens schuld aan vennootschap

  • Overig Boek 2
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In kort geding wordt een bestuurder, tevens enige prioriteitsaandeelhouder en grote schuldenaar van de eigen vennootschap, geschorst en wordt hem verboden zijn prioriteitsrechten uit te oefenen. De voorzieningenrechter acht de vrees gerechtvaardigd dat hij zijn bevoegdheden opnieuw zal misbruiken om executie van veroordelingen te frustreren, nu eerdere besluiten in strijd met artikel 2:8 BW zijn geschorst en vernietigd. Een enquêtebeschikking is niet vereist en de statutaire schorsingstermijn van drie maanden geldt niet voor een rechterlijke schorsing.

Kernoverwegingen

“De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang van [eiseres sub 1] c.s. aanwezig. Na het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2023 heeft [gedaagde ] , ondanks de uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan, geen betalingen gedaan. Integendeel, hij heeft maatregelen getroffen in de vorm van voornoemd prioriteitsaandeelhoudersbesluit en voornoemde deelbesluiten, die [eiseres sub 1] hebben belet namens [bedrijfsnaam] B.V. executiemaatregelen te treffen. In kort geding en in de bodemprocedure is geoordeeld dat (in ieder geval) het prioriteitsbesluit en ook deelbesluit 2 niet voldoen aan de gedragsnorm van artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek. Inmiddels heeft het hof Den Haag bij arrest van 24 februari 2026 het eerste door de rechtbank tussen partijen gewezen vonnis bekrachtigd, en het heeft [gedaagde ] veroordeeld tot betaling van een nog hogere geldsom aan [bedrijfsnaam] B.V. dan de rechtbank had toegewezen. Ook van nakoming van deze uitspraak is het, ondanks de uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan, niet gekomen, zelfs niet deels. Hoewel het prioriteitsbesluit van 23 maart 2023 is geschorst en daarna vernietigd, geeft de vrees van [eiseres sub 1] c.s. dat [gedaagde ] (nogmaals) misbruik zal maken van zijn bevoegdheden als bestuurder en prioriteitsaandeelhouder door (soortgelijke) besluiten te nemen om aan de veroordeling te ontkomen, althans om deze op de lange baan te schuiven, hen een spoedeisend belang.

Gegronde vrees voor herhaling frustratie rechterlijke […]”

r.o. 4.5

“Op grond van a) de eerdere (vernietigde) besluitvorming door [gedaagde ] , b) de bestuurlijk impasse binnen [bedrijfsnaam] B.V. en c) het uitblijven van enige betaling op grond van de gerechtelijke uitspraken, bestaat bij [eiseressen] c.s. de – naar het oordeel van de voorzieningenrechter – gerechtvaardigde vrees dat [gedaagde ] zijn bevoegdheden als bestuurder en prioriteitsaandeelhouder van [bedrijfsnaam] B.V. zal aanwenden om verdere executiemaatregelen jegens hem in privé te frustreren. De redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek, die [eiseres sub 1] als certificaathouder en bestuurder, de STAK als aandeelhouder en [gedaagde ] als prioriteitsaandeelhouder en bestuurder bindt (en beschermt), dwingt er dan ook toe dat de bevoegdheden van [gedaagde ] hem worden ontnomen zolang hij een substantiële (opeisbare) schuld aan [bedrijfsnaam] B.V. heeft.”

r.o. 4.7

“Anders dan [gedaagde ] heeft aangevoerd, is voor het treffen van de gevorderde voorzieningen geen enquêtebeschikking van de Ondernemingskamer vereist. Evenmin geldt dat de voorzieningenrechter in kort geding bij de beoordeling exact het beoordelingskader van de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure zou moeten volgen (zie Hof Amsterdam (OK) 7 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:583). De wetgever is er weliswaar van uitgegaan dat de voorzieningenrechter een terughoudend standpunt zou innemen in geval van hem een voorziening wordt gevraagd met het oog op een in te dienen (of ingediend maar nog niet behandeld) enquêteverzoek en dat hij in dat geval in beginsel de duur van de door hem te treffen voorziening beperkt tot het tijdstip dat de Ondernemingskamer op een verzoek om onmiddellijke voorzieningen zal hebben beslist, maar kennelijk maakt geen van de in dit kort geding betrokkenen aanstalten zich te wenden tot de enquêterechter. De voorzieningenrechter heeft in dit kort geding dan ook de bevoegdheid voorzieningen te treffen zoals in deze procedure door [eiseres sub 1] c.s. is gevorderd, en dient daarbij de voor kort gedingen gebruikelijke beoordelingsmaatstaf te hanteren. Die maatstaf bevat niet de elementen ‘gegronde redenen’ of ‘wanbeleid’ zoals [gedaagde ] bepleit. Daarbij laat de voorzieningenrechter overigens in het midden of daarvan door toedoen van [gedaagde ] niet al sprake was.”

r.o. 4.8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:15713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
28 mei 2026
Datum publicatie
11 juni 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW
Thema
Overig Boek 2, Besluitvorming en vernietigbaarheid, Enquêterecht
Aangesproken
beide
Weekoverzicht
Week 24 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.