Rechtbank Den Haag · 29 juli 2026
Opheffing conservatoir beslag; feitelijk beleidsbepaler artikel 2:248 lid 7 BW niet summierlijk ondeugdelijk
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een gepensioneerde die door de curator van twee gefailleerde vennootschappen als feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk wordt gehouden op grond van artikel 2:248 lid 7 BW, vordert in kort geding opheffing van het beslag op zijn pensioenuitkering. De voorzieningenrechter oordeelt dat niet summierlijk blijkt dat de vordering van de curator ondeugdelijk is, dat het beslag op de woning onvoldoende zekerheid biedt en dat de vormverzuimen en de belangenafweging geen opheffing rechtvaardigen. De vordering wordt afgewezen.
Kernoverwegingen
“De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vordering van de curator (primair) is gebaseerd op artikel 2:248 lid 7 BW. Daaruit volgt dat ook een feitelijk beleidsbepaler als bestuurder kan worden aangemerkt en dus jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het bedrag van de schulden in het faillissement. Daarvoor is vereist dat diegene zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid moet hebben toegeëigend, en op die manier het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. Uit het woord ‘mede’ in art. 2:248 lid 7 BW kan worden afgeleid dat van zodanige beleidsbepaling ook sprake kan zijn in de situatie dat daarnaast een of meer formele bestuurders hun taken als bestuurder bleven uitoefenen (HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445).”
r.o. 4.5
“Tussen partijen bestaat onder meer discussie over de verklaring van mevrouw [naam 1] . De voorzieningenrechter overweegt dat zij expliciet verklaart dat [eisende partij] haar heeft aangenomen, dat [naam 2] (de bestuurder van [bedrijfsnaam 2] ) alleen het tekenen van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan en [eisende partij] het meeste deed. Anders dan [eisende partij] stelt, sluit die verklaring op voorhand niet uit dat hij zich bepaalde bestuursbevoegdheden heeft toegeëigend.”
r.o. 4.7
“Volgens [eisende partij] heeft de curator verder geen bewijs voor zijn vordering overgelegd. De voorzieningenrechter overweegt echter dat de curator ter zitting naar meerdere andere omstandigheden heeft verwezen en in zijn beslagrekest uitdrukkelijk zijn brief van 11 september 2025 als grondslag voor zijn vordering aanmerkt. In die uitgebreide brief heeft de curator onder meer het juridisch kader en allerlei omstandigheden uiteengezet waaruit volgens de curator blijkt dat [eisende partij] feitelijk beleidsbepaler is geweest bij [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] . Zo heeft [eisende partij] volgens de curator onder meer het beheer van de cursusadministratie van [bedrijfsnaam 1] tegen de wens en met uitsluiting van het bestuur van [bedrijfsnaam 1] naar zich toe getrokken, de financiën van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] aan zich getrokken door hun DUO inkomsten een-op-een aan DE over te maken en door de advocaat van [bedrijfsnaam 1] voor een kortgedingprocedure tussen [bedrijfsnaam 1] en de Staat te betalen en zich inhoudelijk in strategisch overleg met die advocaat te mengen. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat [eisende partij] het met die brief absoluut niet eens is en daar bij zijn brieven van 7 oktober 2022, 15 juni 2023 en 28 juni 2023 en in de conclusie van antwoord in de bodemprocedure ook uitgebreid verweer tegen heeft gevoerd. Juist die omvang van de stukken en standpunten van beide kanten maakt dat de voorzieningenrechter in deze […]”
r.o. 4.8