Rechtbank Den Haag · 22 juli 2026
Groepsaansprakelijkheid bestuurders en aandeelhouders afgewezen; vennootschap aansprakelijk voor teruggevorderde GMO-subsidie
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een overheidsorgaan vordert schadevergoeding voor teruggevorderde Europese subsidie die een telerscoöperatie niet kon terugbetalen, nadat haar erkenning was ingetrokken. De rechtbank oordeelt dat de aangesproken vennootschap bewust in strijd met de erkenningscriteria heeft gehandeld en wijst de vordering van ruim € 45 miljoen toe. De vordering uit groepsaansprakelijkheid (artikel 6:162 jo. 6:166 BW) tegen de twee voormalige bestuurders en aandeelhouders wordt afgewezen, omdat hun individuele bijdrage onvoldoende is toegelicht.
Kernoverwegingen
“Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens RVO heeft gehandeld doordat zij de regie over FresQ Red Star niet uit handen heeft gegeven, en er daarmee welbewust voor heeft gezorgd dat FresQ inbreuk zou blijven maken op de erkenningscriteria. Volgens RVO heeft [gedaagde 1] niet alleen gehandeld, maar hebben meerdere (rechts)personen daarbij samengespannen, waaronder in ieder geval [gedaagde 2 en 3] . Aan zijn vorderingen jegens [gedaagde 2 en 3] legt RVO groepsaansprakelijkheid voor onrechtmatig daad ten grondslag (art. 6:166 lid 1 BW).”
r.o. 4.22
“Aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 lid 1 BW bestaat indien aan vier voorwaarden is voldaan:
i. de aangesprokene moet deel hebben uitgemaakt van een groep personen, waarvan ten minste één persoon schade heeft toegebracht aan een derde;
ii. de kans op het aldus toebrengen van schade had de groep personen, onder wie dus de aangesprokene, behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband;
iii. de aangesprokene moet kunnen worden toegerekend dat hij heeft deelgenomen aan de onrechtmatige gedragingen in groepsverband; en
iv. de handeling waardoor de schade feitelijk is toegebracht moet een onrechtmatige daad jegens de gelaedeerde opleveren.”
r.o. 4.23
“RVO heeft in de dagvaarding gesteld dat de betrokkenen door bewust de regie te behouden wetende dat FresQ daarmee niet aan de erkenningscriteria zou voldoen en wetende dat het gevolg daarvan zou zijn dat FresQ geen aanspraak kon maken op subsidie, en dit toe te dekken met een schijnwerkelijkheid, [gedaagden] onrechtmatig jegens RVO heeft gehandeld. Met betrekking tot [gedaagde 2 en 3] stelt RVO niet meer dan dat, voor zover nodig, aan hen ook een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. RVO heeft niet toegelicht waaruit de individuele bijdrage van [gedaagde 2 en 3] bestaat, en waarom gelet op deze individuele bijdrage aan de voorwaarden van artikel 6:166 lid 1 BW is voldaan. Dat in het lichaam van de dagvaarding meerdere overeenkomsten, e-mails en andere documenten worden aangehaald die duiden op de betrokkenheid van [gedaagde 2 en 3] bij de feitelijke gang van zaken is onvoldoende, nu het in de eerste plaats op de weg van RVO had gelegen om daar ten aanzien van [gedaagde 2 en 3] een duidelijke gevolgtrekking aan te verbinden. Nu RVO tekort is geschoten in zijn stelplicht, dienen de vorderingen jegens [gedaagde 2 en 3] te worden afgewezen.
Tussenconclusie”
r.o. 4.24