← Week 35

Rechtbank Den Haag · 3 augustus 2026

Omzetting stichting in BV: ontklemming stichtingsvermogen afgewezen, omzettingsreserve toegewezen

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een stichting die een bedrijfsverzamelgebouw exploiteert, vraagt de rechtbank om omzetting in een besloten vennootschap en om ontklemming van het stichtingsvermogen op grond van artikel 2:18 lid 6 BW. De rechtbank verleent de machtiging tot omzetting, maar wijst ontklemming af omdat grote terughoudendheid geboden is en bijzondere omstandigheden ontbreken. Het subsidiaire verzoek om een statutaire omzettingsreserve gelijk aan het eigen vermogen wordt toegewezen.

Kernoverwegingen

“De rechtbank stelt voorop dat de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak geen concrete gezichtspunten formuleren die een leidraad bieden voor de beoordeling van een verzoek ex artikel 2:18 lid 6 BW. De wetgever heeft bij wijziging van artikel 2:18 BW – waarbij de huidige vormgeving van de rechterlijke tussenkomst voor ontklemming tot stand is gekomen – laten doorklinken dat grote terughoudendheid geboden is bij de toewijzing van verzoeken tot ontklemming. Vermogen dat is opgebouwd tijdens de periode dat de rechtspersoon de gedaante van de stichting had, dient na omzetting in (zoals in dit geval) de besloten vennootschap strikt conform de doelstelling van de stichting besteed te worden. Alleen in uitzonderingsgevallen zal de rechter kunnen toestaan dat het beklemd vermogen mag worden ontklemd. Of dergelijke uitzonderingsvallen zich strikt beperken tot situaties waarin het statutaire doel vóór de omzetting gewijzigd had mogen worden op een wijze dat besteding van het vermogen waarvoor nu toestemming wordt verzocht mogelijk zou zijn laat de rechtbank hier in het midden. In dit geval is geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat ontklemming moet worden toegestaan. Het navolgende dient ter onderbouwing van dat oordeel.”

r.o. 3.3

“De statutaire doelstelling van verzoekster, die luidt:

de oprichting, instandhouding en exploitatie van een bedrijfsverzamelgebouw in de wijk [wijk] (Rijswijk). het ontplooien van activiteiten die het onderlinge contact tussen ondernemers in [wijk] en omgeving en ondernemende Leeuwendalers te bevorderen. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn

geeft niet evident de indruk dat hier sprake is geweest van een niet gewenste, ongelukkige rechtsvormkeuze ten tijde van de oprichting van de stichting. Daarbij moet bedacht worden dat er – vanzelfsprekend – sprake is geweest van notariële (en dus deskundige) tussenkomst bij de oprichting van de stichting. Dat, zoals verzoekster stelt, van meet af aan geen sprake is geweest van een ideële organisatie, kan de rechtbank niet goed volgen. In ieder geval geeft de statutaire doelomschrijving, in het bijzonder het hiervoor onder b. genoemde element, niet de indruk dat de stichting als een strikt commerciële organisatie bedoeld was. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat deze toch ideëel ogende (deel-)doelstelling in de dagelijkse gang van zaken bij de stichting gestalte heeft gekregen. Dat verzoekster nooit schenkingen heeft ontvangen of gedaan en nooit liefdadigheidswerk – daargelaten wat dat precies inhoudt – heeft verricht leidt niet zonder meer tot de conclusie dat evident sprake is geweest van een verkeerde en dus […]”

r.o. 3.4

“Het pand waarin het bedrijfsverzamelgebouw wordt geëxploiteerd zal worden gesloopt en de doelstelling staat niet toe dat er kan worden geïnvesteerd in een nieuwe pand buiten [wijk]. Nog daargelaten de vraag of een wijziging van de stichtingssstatuten (waartoe het bestuur van verzoekster – binnen zekere grenzen – bevoegd lijkt, art. 11 statuten) dit probleem niet zou kunnen verhelpen, plaatst verzoekster [bestuurder 2] op de voorgrond en stelt dat zij “feitelijk” het bedrijfsverzamelgebouw exploiteert en heeft geëxploiteerd, en dat zij vermogensrechtelijk nadeel zal ondervinden als het vermogen beklemd blijft. Die redenering kan de rechtbank niet volgen. De vraag die in deze verzoekschriftprocedure beantwoord moet worden is of het stichtingsvermogen beklemd moet blijven na omzetting in een kapitaalvennootschap, niet of het vermogen dat op naam van de stichting is gevormd “feitelijk” toebehoort aan [bestuurder 2]. Als dat het standpunt is van [bestuurder 2] zal zij daarover een discussie met de stichting moeten voeren. De rechtbank begrijpt dat de bedoeling is het stichtingsvermogen na de omzetting en de gewenste ontklemming aan te wenden voor de aankoop van een nieuw pand buiten [wijk] door de besloten vennootschap. Alle aandelen van de besloten vennootschap zullen (indirect) in handen zijn van [bestuurder 2]. Aldus is het plan het in beginsel beklemde vermogen van de stichting geheel aan te wenden voor een ander doel dan het stichtingsdoel. De rechtbank acht dat niet […]”

r.o. 3.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22132
Instantie
Rechtbank Den Haag
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
3 augustus 2026
Datum publicatie
25 augustus 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:18 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 35 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.