Rechtbank Den Haag · 31 juli 2026
Rechterlijke benoeming van bestuurder van pensioenstichting bij ontbreken bestuur (artikel 2:299 BW)
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
De rechtbank benoemt op grond van artikel 2:299 BW één bestuurder van een pensioenstichting waarvan het bestuur geheel ontbrak. De verzoeker, executeur en enig erfgenaam van de laatste uitkeringsgerechtigde, is belanghebbende. De rechtbank beperkt zich tot het hoogst noodzakelijke: één bestuurder, die zelf andere bestuurders kan benoemen.
Kernoverwegingen
“Op grond van artikel 2:299 BW kan de rechtbank op verzoek van iedere belanghebbende of het Openbaar Ministerie in de vervulling van de ledige plaats in het bestuur van een stichting voorzien, als het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien.”
r.o. 3.2
“Naar het oordeel van de rechtbank kan [verzoeker] als executeur in de nalatenschap van [erflaatster] en haar enig erfgenaam als belanghebbende bij het verzoek worden aangemerkt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat [erflaatster] tot [datum] 2023 de enige en tevens laatste uitkeringsgerechtigde van de Stichting was.”
r.o. 3.3
“Gelet op het feit dat bestuursleden in het geval van de Stichting worden benoemd door het bestuur en het bestuur van de Stichting geheel ontbreekt, kan de rechtbank overgaan tot benoeming van één bestuurder, dan wel meerdere bestuurders. Op 22 juli 2026 is samen met de advocaten van [verzoeker] vastgesteld dat een niet voltallig bestuur van de Stichting conform artikel 5.1 van de statuten haar bevoegdheid behoudt. Hoewel de statuten van de Stichting spreken over ten minste drie bestuurders, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding enkel het hoogst noodzakelijke te doen, namelijk het benoemen van één bestuurder. Hiertoe overweegt de rechtbank dat die bestuurder op grond van de statuten de mogelijkheid heeft andere bestuurders te benoemen. Aangezien er geen bezwaren zijn gebleken tegen de benoeming van [verzoeker] als bestuurder van de Stichting, zal de rechtbank het primaire verzoek toewijzen. De rechtbank laat het aan [verzoeker] als nieuwe bestuurder van de Stichting om te bepalen of hij een tweede en derde bestuurder benoemt, of dat nalaat. De rechtbank zou begrijpen als hij daartoe niet overgaat, nu [verzoeker] enkel over wil gaan tot ontbinding en vereffening van de Stichting, een voor de hand liggende route.”
r.o. 3.4