Rechtbank Den Haag · 4 augustus 2026
Intrekking ontslagverzoek stichtingsbestuurders beëindigt procedure en voorlopige voorzieningen
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Erfgenamen van de oprichter van een stichting verzochten de rechtbank de bestuurders te ontslaan op grond van artikel 2:298 BW. Nadat de rechtbank voorlopige voorzieningen had getroffen en een tijdelijke bestuurder met een onderzoek had belast, trokken zij hun verzoeken in. De rechtbank oordeelt dat intrekking zonder eindbeschikking mogelijk is, ook al verzet de tijdelijke bestuurder zich in het belang van de stichting. Daardoor eindigen de procedure en alle voorlopige voorzieningen.
Kernoverwegingen
“Naar het oordeel van de rechtbank kunnen voorlopige voorzieningen die in het kader van een verzoek tot ontslag van stichtingsbestuurders (of -commissarissen, zie artikel 2:298 lid 4 BW) worden getroffen in hoofdzaak slechts maatregelen zijn die er op gericht zijn gedurende het geding orde of rust te creëren in (de governance van) de stichting, te voorkomen dat de stichting schade wordt berokkend gedurende het geding, en om de nodige informatie te vergaren opdat de rechtbank voldoende geïnformeerd raakt om een afgewogen oordeel over het ontslagverzoek te kunnen geven. Het fundament van te treffen voorzieningen wordt gevormd door het ontslagverzoek: zonder ontslagverzoek geen voorlopige voorzieningen. Voor zover om andere redenen dan in het kader van een ontslagverzoek (spoedeisende) maatregelen in de organisatie van de stichting gewenst zijn zal daarvoor doorgaans het kort geding de aangewezen route vormen.”
r.o. 3.8
“De rechtbank deelt de opvatting dat intrekking leidt tot het einde van het geding. Indachtig de Hoge Raad-beschikking in de enquête-procedure KPN/Qwest, hiervoor al genoemd, moet geconstateerd worden dat in dit geding louter voorlopige voorzieningen zijn getroffen; van een ‘eindbeschikking’ is geen sprake. Aldus komt de erfgenamen de bevoegdheid toe hun verzoek of verzoeken te ‘verminderen’ op de voet van het bepaalde in artikel 283 Rv, waaronder ook moet worden verstaan intrekken. Die constatering dwingt ertoe dat de wens van de bij de Stichting betrokkenen die deze verzoekschriftprocedure in gang hebben gezet om deze procedure nu te beëindigen moet worden gehonoreerd.”
r.o. 3.10
“De wettelijke regeling van het ontslag van stichtingsbestuurders, met inachtneming van de uitleg die daaraan is gegeven in de rechtspraak, laat de rechtbank geen ruimte om de door de tijdelijke bestuurder/onderzoeker bepleite koers te volgen. Zonder een ontslagverzoek – en de intrekking van het verzoek door de erfgenamen is nu eenmaal een feit – is er geen oordeel meer te vellen waaraan de voorlopige voorzieningen respectievelijk het bevolen onderzoek dienstig kunnen zijn. In dat kader moet bedacht worden dat de rechtbank niet de rol is toebedacht in het algemeen belang zelfstandig voorlopige voorzieningen te treffen respectievelijk bestuurders te ontslaan. Dat algemeen belang kan wel gediend worden door het openbaar ministerie (artikel 2:298 lid 1 BW), maar het openbaar ministerie is in dit geding niet betrokken.”
r.o. 3.12