Rechtbank Den Haag · 29 juli 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid na contractsovername koopovereenkomst woning; geen persoonlijk ernstig verwijt
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een verkoper van een woning vordert een contractuele boete van de koper-vennootschap, die het financieringsvoorbehoud niet tijdig inriep, en spreekt ook de indirect bestuurder persoonlijk aan op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank wijst de vordering tegen de vennootschap bij verstek toe. De vorderingen tegen de bestuurder worden afgewezen, omdat haar handelen weliswaar naïef was, maar zij niet wist of hoorde te begrijpen dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen, en haar geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Kernoverwegingen
“Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Alleen onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.”
r.o. 5.3
“Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn er verschillende categorieën van bestuurdersaansprakelijkheid te onderscheiden. Eén van de categorieën betreft de situatie dat een bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt. Persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. In de kern houdt deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’ de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. Een andere grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid betreft de situatie dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (‘verhaalsfrustratie’), in welk geval de bestuurder ook een persoonlijk ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen; de stelplicht en bewijslast daarvan […]”
r.o. 5.4
“De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in het licht van het verweer van [gedaagde 2] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [gedaagde 2] bij het aangaan van de contractsovername wist of behoorde te begrijpen dat [gedaagde 1] de aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen. [gedaagde 2] heeft toegelicht dat zij op basis van haar eigen onderzoek op verschillende websites ervan uit is gegaan dat [gedaagde 1] in staat was de hypothecaire lasten met betrekking tot de woning te voldoen en dat [naam] dit aan haar heeft bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van [gedaagde 2] in de gegeven omstandigheden als naïef worden aangemerkt. Zij is immers door de contractsovername namens [gedaagde 1] de verplichting aangegaan om een woning af te nemen tegen een koopprijs van € 1.560.000, terwijl [gedaagde 1] pas een jaar ervoor was opgericht, [gedaagde 2] zelf geen ervaring had met het kopen van een woning, zij weliswaar een financieel adviseur ( [naam] ) heeft ingeschakeld om haar te helpen bij het verkrijgen van een financiering maar met hem geen enkele afspraak op papier heeft gezet, vervolgens enkel is afgegaan op de mededeling van die adviseur dat de financiering rond was en de termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud heeft laten verstrijken zonder zijn mededeling nader te verifiëren. Dit handelen wijst er naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet op dat [gedaagde 2] op het moment van het sluiten van de contractsovername wist of […]”
r.o. 5.7