← Week 36

Rechtbank Den Haag · 12 augustus 2026

Kort geding tegen opzegging verenigingslidmaatschap; toets aan artikel 2:8 BW en hoor en wederhoor

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In kort geding vordert een lid schorsing van het besluit van het verenigingsbestuur om zijn lidmaatschap op te zeggen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit voldoende is gemotiveerd en dat het bestuur na belangenafweging in redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW) tot opzegging heeft kunnen komen. Het bestuur had weliswaar hoor en wederhoor moeten toepassen, maar dat is hersteld doordat het lid ter zitting alsnog zijn zienswijze heeft gegeven. De vorderingen worden afgewezen.

Kernoverwegingen

“Nu de vereniging een verdere motivering heeft gegeven en het concrete gedrag van eiser heeft benoemd dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onvoldoende gemotiveerd en in dat opzicht ook niet in strijd met de statuten. Bij dit oordeel weegt de voorzieningenrechter mee dat het bestuur in de brief van 28 november 2025 heeft gewezen op het gedrag van eiser jegens een mede-lid en dat uit de overgelegde processtukken volgt dat eiser wist dat met dit mede-lid het lid werd bedoeld waarop de nadere motvering van het bestuur betrekking heeft. Hieruit volgt dat hij vanaf 28 november 2025 wist dat zijn gedrag jegens dit betreffende lid ten grondslag lag aan het bestuursbesluit.

Hoor en wederhoor”

r.o. 4.8

“De voorzieningenrechter overweegt dat eiser wel kan worden gevolgd in zijn betoog dat het bestuur ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast voordat het bestreden besluit werd genomen. De vereniging heeft ter zitting – samengevat –- aangevoerd dat eiser zijn kant van het verhaal heeft kunnen doen bij het provinciehoofd Drenthe en dat, mede op basis van een advies van de vertrouwenspersoon, van verdere hoor en wederhoor is afgezien omdat zou zijn gebleken dat eiser niet luistert op het moment dat hij wordt aangesproken op zijn gedrag. Hoor en wederhoor dienen echter te worden toegepast door het beslissingsbevoegde orgaan van de rechtspersoon, in dit geval het bestuur. Het provinciehoofd maakt daar geen deel van uit. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat het bestuur de zienswijze die eiser tegenover het provinciehoofd Drenthe heeft gegeven, in haar afweging heeft betrokken. Verder staat de stelling van de vereniging dat eiser niet zou luisteren, wat daar ook van zij, er niet aan in de weg om hoor en wederhoor toe te passen. De toepassing van hoor en wederhoor heeft immers niet de strekking dat eiser wordt aangesproken op zijn gedrag, maar dat hij de gelegenheid krijgt zijn zienswijze te geven voordat een voor hem belastend besluit wordt genomen. Tot slot is van belang dat een vertrouwenspersoon ten opzichte van het verenigingsbestuur geen adviserende functie heeft. Het gegeven dat de vertrouwenspersoon in dit specifieke geval inlichtingen heeft verstrekt aan het […]”

r.o. 4.9

“De voorzieningenrechter ziet in het achterwege blijven van hoor en wederhoor binnen de vereniging echter geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen, omdat eiser ter zitting bij de voorzieningenrechter alsnog zijn zienswijze heeft gegeven over de feiten die het bestuur aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

Strijd met de redelijkheid en billijkheid

Standpunt van eiser”

r.o. 4.10

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22520
Instantie
Rechtbank Den Haag
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Datum publicatie
1 september 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 36 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.