Rechtbank Den Haag · 26 augustus 2026
Samenwerking tussen geregistreerd partners niet gekwalificeerd als maatschap
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Twee geregistreerd partners werkten tijdens hun relatie samen rond een eenmanszaak van een van hen. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake was van een maatschap, omdat winstverdeling en gelijkwaardige samenwerking ontbraken en bij samenwerking tussen partners terughoudendheid geboden is. De vorderingen tot ontbinding en verdeling van een maatschapsvermogen en tot betaling worden daarom afgewezen.
Kernoverwegingen
“Op grond van de wet is de maatschap een overeenkomst waarbij partijen iets in gemeenschap brengen met het oog op het delen van de voordelen. Dit betekent dat aan de volgende vereisten moet zijn voldaan om te kunnen aannemen dat sprake is van een maatschap: (i) een overeenkomst, (ii) samenwerking op basis van gelijkheid/gelijkwaardigheid, (iii) verdeling van de winst, (iv) inbreng en (v) gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers. Verder geldt dat een zekere terughoudendheid moet worden betracht bij het aannemen van een maatschapsverband als het gaat om een samenwerking tussen echtgenoten of – zoals in dit geval – geregistreerd partners.”
r.o. 5.2
“Dit betekent dat [gedaagde] naar eigen inzicht mocht bepalen welke privé-onttrekking hij deed en welk deel daarvan hij naar de gezamenlijke rekening overmaakte. Dit was ook hoe het in praktijk ging. [gedaagde] bepaalde zelfstandig, op basis van de financiële resultaten van [handelsnaam 2], welke privé-onttrekking hij deed. Van een formele verdeling van de winst in [handelsnaam 2] was dus geen sprake. Dit betekent dat aan één van de vereisten voor het bestaan van een maatschap niet is voldaan. En alleen al om die reden kan het bestaan van een maatschap niet worden aangenomen.
Partijen werkten niet op gelijkwaardige basis samen”
r.o. 5.6
“De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat partijen op gelijkwaardige basis samenwerkten. [eiseres] heeft haar standpunt dat daarvan sprake is onvoldoende onderbouwd. Zij heeft desgevraagd alleen de keuze voor e-Boekhouden.nl als voorbeeld van een gezamenlijk genomen beslissing gegeven. Dit voorbeeld overtuigt echter niet, omdat het Whatsapp-bericht van 31 januari 2024 er juist op wijst dat [gedaagde] deze beslissing zelfstandig heeft genomen. Bovendien staat [handelsnaam 2] op naam van [gedaagde], wat een aanwijzing is dat de volledige zeggenschap bij hem berust. Tot slot bepaalde [gedaagde] naar eigen inzicht welke privé-onttrekking werd gedaan (zie rov. 5.6), wat er ook op wijst dat gelijkwaardigheid ontbrak.”
r.o. 5.8