Rechtbank Den Haag · 15 september 2026
Ontruiming dienstwoning na opheffing parochie; artikel 2:19 lid 5 BW in alternatieve redenering
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Na opheffing van een parochie vorderen het kerkelijk kapittel en de parochie in kort geding ontruiming van een woning die de koster bewoont. De voorzieningenrechter kwalificeert de woning voorlopig als eigenlijke dienstwoning, wijst de ontruiming toe met een langere termijn en wijst de boete af. Boek 2 speelt alleen een rol in een alternatieve redenering: ook als de parochie na ontbinding voortbestaat voor vereffening (artikel 2:19 lid 5 BW), was de opzegging via een volmacht van de vereffenaars bevoegd.
Kernoverweging
“Het voorgaande betekent dat de overeenkomst vanwege de beëindiging van de kosterswerkzaamheden op de in de overeenkomst van 4 oktober 2020 overeengekomen wijze kon worden opgezegd. Het Kapittel heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt bij brieven van 3 februari 2026 en 4 juni 2026. Er is twist over de vraag of het Kapittel daartoe bevoegd was. Twee redeneringen zijn denkbaar. De eerste is dat het Kapittel, als rechtsopvolger van de Parochie (als opvolger in alle rechten en plichten), ook is getreden in de positie van de Parochie uit hoofde van de overeenkomst van 2020. In deze benadering was het Kapittel in ieder geval op 4 juni 2026 bevoegd tot opzegging over te gaan. De andere redenering kan zijn dat de Parochie na de ontbinding is blijven voortbestaan voor (verdere) vereffening, in de lijn van het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW (bij gebreke van een duidelijke regeling in het Statuut). In deze redenering zou de opzegging (mogelijk) alleen kunnen door de Parochie of een door de Parochie daartoe gevolmachtigde. Een dergelijke volmacht is aan het Kapittel verstrekt op 4 juni 2026. Die volmacht is verstrekt door de heren [naam 1] en [naam 2] . [naam 1] was weliswaar niet langer pastoor, maar was wel bestuurder gebleven; de benoemingstermijn van [naam 2] was per 1 februari 2026 verstreken maar aannemelijk is dat het verstrijken daarvan niet betekende dat hij zonder andersluidende verklaring van de benoemingsbevoegde niet langer gerechtigd was zijn taak als bestuurder te […]”
r.o. 4.11