Rechtbank Den Haag · 16 september 2026
Faillietverklaring na turboliquidatie: summierlijk gebleken baten
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee schuldeisers vroegen het faillissement van een bv, waarvan de aandeelhouder de dag voor de zitting had besloten haar te ontbinden (turboliquidatie, artikel 2:19 lid 4 BW). De rechtbank toetst of er werkelijk geen baten meer waren en oordeelt dat de verkoop en besteding van de activa niet met stukken is onderbouwd. Daarom blijkt summierlijk van nog aanwezige baten en wordt de vennootschap failliet verklaard.
Kernoverwegingen
“Uit het ter zitting overgelegde aandeelhoudersbesluit van 14 september 2026 blijkt dat de aandeelhouder heeft besloten de vennootschap te ontbinden met ingang van 14 september 2026, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. De rechtbank dient het er dus voor te houden dat deze vennootschap inmiddels is opgehouden te bestaan op de wijze als bedoeld in artikel 2:19 lid 4 BW (de zogenoemde ‘turboliquidatie’).
Het beoordelingskader bij een ontbonden rechtspersoon”
r.o. 3.3
“Het oordeel van het bestuur – of de vereffenaar – van een ontbonden vennootschap dat geen baten meer aanwezig zijn en dat de rechtspersoon daarom op grond van artikel 2:19 lid 4 BW is opgehouden te bestaan, is vatbaar voor toetsing door de rechter als een schuldeiser – stellende dat de vennootschap nog baten heeft – het faillissement van die rechtspersoon aanvraagt. Komt de rechter tot het oordeel dat summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn, dan kan deze – als aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan – het faillissement uitspreken en moet de rechtspersoon geacht worden voor de afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan (Hoge Raad 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631).
Verloop van de onderhandelingen”
r.o. 3.4
“Ter zitting is namens verweerster het ontbindingsbesluit toegelicht met de verklaring dat verweerster slechts schulden heeft, en geen baten. Dat is onderbouwd met twee balansen: een per 31 december 2025 en een per 10 september 2026. Op eerstgenoemde balans staan de activa voor een totaalbedrag van € 21.945,-- vermeld. De activa bestaan uit een post Inventaris van € 6.810,--, een post Debiteuren van € 9.832,-- en een post Liquide middelen van € 5.303,--. Op de balans per 10 september 2026 staat daarentegen aan activa vermeld: nihil. Desgevraagd heeft verweerster verklaard dat alle activa in 2026 zijn verkocht en dat de opbrengsten zijn gebruikt om het personeel te betalen. Die stelling is echter niet met stukken onderbouwd. Verweerster heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe de baten die er in 2025 nog waren, zijn aangewend ter aflossing van schulden. Ook is overigens onduidelijk waarom de vaste activa er niet meer zijn. Verweerster heeft immers volgens verzoeksters verklaard dat zij nog bezig was opdrachten binnen te halen om daarmee inkomsten te genereren. De verkoop van activa is lastig daarmee te rijmen, aangezien de activa nodig zijn om (eventuele) opdrachten te kunnen uitvoeren. Het is de rechtbank in elk geval bij gebrek aan stukken niet duidelijk wanneer de activa dit jaar zouden zijn verkocht, wat de opbrengsten daarvan zouden zijn geweest en in hoeverre die inkomsten ten goede zijn gekomen aan de schuldeisers. Dat alle (vermeende) opbrengsten zijn uitbetaald aan het […]”
r.o. 3.6