Rechtbank Den Haag · 6 februari 2026
Ontslag stichtingsbestuurders; voorlopige voorziening en nader onderzoek door tijdelijke bestuurder
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Erfgenamen van de oprichter van een stichting verzoeken ontslag van de stichtingsbestuurders op grond van artikel 2:298 BW. De rechtbank vindt dat er aanwijzingen zijn dat de bestuurders zijn tekortgeschoten, maar acht het te vroeg om te beslissen, omdat ontslag een ingrijpende sanctie is. Zij geeft de eerder benoemde tijdelijke bestuurder een beslissende stem bij alle bestuursbesluiten en draagt hem nader onderzoek op. De beslissing over het ontslag wordt aangehouden.
Kernoverwegingen
“Het verzoek van de erfgenamen tot ontslag van [verweerders] als bestuurders van de Stichting is gegrond op artikel 2:298 lid 1 BW. De rechtbank kan een bestuurder van een stichting ontslaan wegens (voor zover in dit geval relevant):
verwaarlozing van zijn taak; andere gewichtige redenen; ingrijpende wijzigingen in de omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.”
r.o. 4.3
“De rechtbank stelt voorop dat ontslag van de bestuurders van een stichting een ingrijpende sanctie is die met terughoudendheid behoort te worden toegepast. Er zijn aanwijzingen dat de bestuurders zijn tekortgeschoten in de vervulling van hun taak op grond waarvan een ontslag mogelijk gerechtvaardigd is. In dit verband wijst de rechtbank bijvoorbeeld op het aanstellen van [naam 9] als commissaris, die als zodanig toezicht zou moeten houden op het bestuur waarvan zijn oudere broer de voorzitter is. Verder hebben de bestuurders mogelijk hun functie op verzoek van een of meer verzoekers ter beschikking willen stellen tegen een financiële vergoeding. Verder speelt nog de vraag welke activa precies toebehoren aan de stichting en voor zover activa aan de stichting toebehoren, of de bestuurders zich wel naar behoren hebben ingespannen die activa in de macht van de Stichting te brengen. Verzoekers dragen ter onderbouwing van hun ontslagverzoek aan dat de communicatie van de bestuurders ernstig te wensen overlaat, en ook de tijdelijke bestuurder heeft kenbaar gemaakt dat het moeilijk is gebleken contact te krijgen en te onderhouden met [verweerders] Er zijn, kortom, omstandigheden die er op kunnen duiden dat de bestuurders hun taak niet naar behoren vervullen. De rechtbank acht het echter bij de huidige stand van zaken, gelet op de gemotiveerde betwisting van de bestuurders, te vroeg om een oordeel te vellen over het verzoek tot ontslag van [verweerders] De rechtbank is daarom, met de […]”
r.o. 4.5
“De rechtbank zal een nadere voorlopige voorziening treffen die eruit bestaat dat de huidige tijdelijke bestuurder wordt opgedragen (nader) onderzoek te doen. Tot de taak van de tijdelijke bestuurder zal tevens gaan behoren het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de Stichting, in het licht van het verzoek tot ontslag van de bestuurders. Bij dit onderzoek dient de tijdelijke bestuurder zoveel als mogelijk en passend in een geval als dit, de bepalingen in acht te nemen zoals opgenomen in de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures (te raadplegen op www.rechtspraak.nl). Het onderzoek zal zich met name moeten richten op:
het inventariseren van de status van de Stichting, in het bijzonder een inventarisatie van de belangrijkste (vermogens)bestanddelen die haar toebehoren c.q. onder het beheer van de Stichting (zouden moeten) vallen; de wijze waarop de bestuurders zijn omgegaan met de aanspraken van de erfgenamen op de (certificaten van de) aandelen en hun daaruit voortkomende rechten, waaronder die op informatie; de bedoeling die erflater met de Stichting heeft gehad, gelet op de oprichtingsdocumenten waaronder de oprichtingsakte, de administratievoorwaarden, de ‘letter of wishes’ en het testament van erflater, voor welke generatie(s) erflater zijn nalatenschap heeft willen conserveren en welke consequenties dit zou moeten hebben voor de governance van de Stichting; de (vermeende) bereidheid van de bestuurders om hun positie tegen een […]”
r.o. 4.6