Rechtbank Den Haag · 4 maart 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid aannemer: Beklamel afgewezen, ernstig verwijt bij laten betalen termijnfactuur kort voor faillissement
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Opdrachtgevers van een verbouwing stellen de bestuurder en diens bestuurders-holding van een failliete aannemer persoonlijk aansprakelijk. De rechtbank wijst de Beklamel-grondslag en de overige verwijten af. Zij neemt wel een ernstig verwijt aan omdat de bestuurders een voorschotfactuur lieten betalen drie dagen voordat werd besloten faillissement aan te vragen. De vordering wordt toegewezen tot het bedrag van die termijnfactuur.
Kernoverwegingen
“De rechtbank stelt voorop dat, indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal evenwel naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”
r.o. 4.2
“De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid kan niet worden verlangd dat een startend bedrijf een financiële buffer heeft. In dit geval is de overeenkomst met [eisers] c.s. ruim een jaar na de oprichting van [bedrijfsnaam] aangegaan, in welk jaar [bedrijfsnaam] als aannemer actief is geweest en zij, blijkens het overgelegde faillissementsverslag (productie 16 van [eisers] c.s.) een omzet van € 354.799 heeft behaald. Uit dit faillissementsverslag kan, anders dan [eisers] c.s. hebben gesteld, niet worden opgemaakt dat [bedrijfsnaam] in 2020 een verlies heeft geleden. In dat verslag is over 2020 immers een “Winst en verlies” van € 23.778 vermeld. [eisers] c.s. hebben niet verder toegelicht hoe de financiële situatie van [bedrijfsnaam] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Of die situatie vergde dat [bedrijfsnaam] een (grotere) financiële buffer had, kan dus niet zonder meer worden aangenomen. Ten slotte is van belang dat [bedrijfsnaam] bijna negen maanden lang heeft gewerkt aan de woning van [eisers] c.s. en in die periode - zoals [eisers] ter zitting heeft verklaard - ongeveer 70% van de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Reeds hieruit volgt dat het niet aannemelijk is dat bij het aangaan van de overeenkomst kon worden voorzien dat [bedrijfsnaam] niet in staat zou zijn de werkzaamheden te voltooien. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat niet aan de Beklamel-norm voor aansprakelijkheid is voldaan.
Heeft [gedaagde 2] toegelaten dat [bedrijfsnaam] niet […]”
r.o. 4.8
“Dat is anders ten aanzien van de termijnfactuur 17. [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. hebben die factuur laten betalen op 22 november 2021, drie dagen voordat [gedaagde 2] heeft besloten het faillissement van [bedrijfsnaam] aan te vragen. Gelet op dit zeer korte tijdsbestek moet ervan worden uitgegaan dat er op 22 november 2021 al sprake was van een zodanig penibele financiële situatie, dat het faillissement van [bedrijfsnaam] onafwendbaar, of op zijn minst zeer waarschijnlijk was. [gedaagden] c.s. hebben tenminste niet aangevoerd dat de situatie van [bedrijfsnaam] in dat tijdbestek (onvoorzien) wezenlijk is verslechterd. Als (middellijk) bestuurders moeten [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. worden geacht op de hoogte te zijn van het financiële reilen en zeilen van [bedrijfsnaam] . Gelet op de penibele financiële situatie en omdat algemeen bekend is dat concurrente crediteuren in een faillissement vrijwel altijd achter het net vissen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. in die omstandigheden had moeten afzien van het laten betalen van voorschot factuur 17. In zoverre treft hun een ernstig verwijt jegens [eisers] c.s.”
r.o. 4.13