Rechtbank Den Haag · 14 januari 2026
Verjaring bestuurdersaansprakelijkheid pgb-fraude: erkenning en ontvangst stuitingsbrieven
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een zorgkantoor vordert uit onrechtmatige daad schadevergoeding van een voormalig bestuurder en aandeelhouder van twee ontbonden zorgvennootschappen wegens ten onrechte uit pgb's betaalde zorg. De rechtbank beoordeelt eerst het verjaringsverweer: de betaling van een gering bedrag voor onderzoekskosten is geen erkenning van de vordering en stuit de verjaring niet. Omdat de ontvangst van de aangetekende stuitingsbrieven is betwist, moet het zorgkantoor bezorgingsbewijzen overleggen; de rechtbank houdt de verdere beslissing aan.
Kernoverwegingen
“Er zijn in dit geval twee vorderingen tot schadevergoeding met een eigen grondslag: ten eerste de (door Zorg en Zekerheid overgenomen) vorderingen van de budgethouders op [gedaagde] en daarnaast de zelfstandige rechtstreekse vordering van Zorg en Zekerheid op [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad. De rechtbank is met Zorg en Zekerheid van oordeel dat de verjaringstermijn van deze vorderingen op zijn vroegst pas op 2 februari 2017 is gaan lopen, toen de conclusies van het fraudeonderzoek bekend werden. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van Zorg en Zekerheid dat de verjaringstermijn al in 2014 is gaan lopen, toen de budgethouders de facturen ontvingen. Noch de budgethouders, noch Zorg en Zekerheid wisten toen al dat zij een deel van de vanuit het pgb vergoede zorg moesten terugbetalen, laat staan dat zij toen al wisten dat zij in verband hiermee een vordering uit onrechtmatige daad op [gedaagde] hadden (op grond van bestuurdersaansprakelijkheid).
Stuiting door erkenning vordering?”
r.o. 4.3
“In dit geval heeft Zorg en Zekerheid [gedaagde] in 2017 als bestuurder van Zorg Allerlei en Kleinschalig persoonlijk aansprakelijk gesteld voor door de vennootschappen gedeclareerde zorg die volgens Zorg en Zekerheid ten onrechte vanuit het pgb is vergoed. Zorg en Zekerheid vordert in verband hiermee een bedrag van € 140.607,71 aan schadevergoeding van [gedaagde] , op grond van onrechtmatige daad. Vast staat dat [gedaagde] zich tegen deze vordering van Zorg en Zekerheid heeft verweerd. Weliswaar zijn in het verleden namens [gedaagde] voorstellen voor een minnelijke regeling gedaan, maar dit gebeurde zonder erkenning van aansprakelijkheid van [gedaagde] . Het staat vast dat [gedaagde] op 3 januari 2020 een bedrag van € 624,94 aan SODA heeft betaald, na ontvangst van een factuur van SODA. Het is niet gesteld of gebleken dat die factuur op enig deel van het gevorderde schadebedrag van € 140.607,71 zag. Dit bedrag wordt thans immers nog volledig van [gedaagde] gevorderd. De rechtbank leidt uit de aan [gedaagde] gerichte brief van 2 februari 2017 (met de conclusies van het fraudeonderzoek) af dat SODA belast is met de invordering van de kosten die gemoeid zijn met het afhandelen van de rechtmatigheidsonderzoeken en eventuele kosten voor het inhuren van externe deskundigen. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat in de omstandigheid dat [gedaagde] op 3 januari 2000 een (verhoudingsgewijs zeer gering) bedrag voor de kosten van het uitgevoerde rechtmatigheids- en […]”
r.o. 4.7
“Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat:
i) de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en ii) dat de verklaring aldaar is aangekomen.”
r.o. 4.12