Rechtbank Den Haag · 28 januari 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid direct en middellijk bestuurders factoringbedrijf jegens obligatiehouders; artikel 2:11 BW
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een stichting voor obligatiehouders spreekt de directe en middellijk bestuurders van een failliet factoringbedrijf aan, omdat zij leningen aan gelieerde partijen verstrekten in strijd met de obligatievoorwaarden. De rechtbank oordeelt dat de directe bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt treft. Op grond van artikel 2:11 BW zijn de middellijk bestuurders hoofdelijk aansprakelijk, omdat zij zich niet hebben gedisculpeerd. Ook een gelieerde vennootschap handelt onrechtmatig door te profiteren van wanprestatie, en de echtgenote van een bestuurder is op grond van artikel 1:102 BW hoofdelijk verbonden. De schade wordt verwezen naar een schadestaatprocedure.
Kernoverwegingen
“Als de aansprakelijke bestuurder van een rechtspersoon zelf ook een rechtspersoon is, dan rust deze aansprakelijkheid ingevolge artikel 2:11 BW tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Deze bepaling wordt ook wel aangeduid als doorgeefluik en werkt door de bestuurders-rechtspersonen heen tot aan de natuurlijke persoon die statutair bestuurder is van de (laatste) bestuurder-rechtspersoon. Voor vestiging van aansprakelijkheid van een middellijk bestuurder (rechtspersoon of natuurlijke persoon) hoeft de schuldeiser niet te stellen/bewijzen dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, maar een indirect bestuurder kan zich wel disculperen en aan aansprakelijkheid ex artikel 2:11 BW ontkomen door (zelf) te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk géén ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Bestuurdersaansprakelijkheid Bewi en [gedaagde 2]”
r.o. 4.13
“Jama heeft als bestuurder bewerkstelligd of toegelaten dat DBS2 Nederland leningen heeft verstrekt aan haarzelf en aan partijen ( [bedrijf 3] en HSM) die aan haar (middellijk) bestuurders gelieerd zijn. Het verstrekken van deze leningen is in strijd met de obligatievoorwaarden (zie r.o. 4.16). Daarbij komt dat Jama en haar (indirecte) bestuurders, tevens aandeelhouders, een eigen financieel belang had(den) bij het aangaan van deze leningen. Dit belang c.q. deze belangen heeft Jama laten prevaleren boven het belang van DBS2 Nederland en de obligatiehouders. DBS2 Nederland had immers – naar de Stichting onbetwist heeft aangevoerd – geen belang bij het verstrekken van deze leningen. Zij zou hierop een lager rendement ontvangen dan dat zij zou ontvangen als deze geldsommen waren gebruikt voor factoringactiviteiten. Daarbij liep DBS2 Nederland een groter risico, omdat – anders dan de vorderingen die zij opkocht van haar factoringklanten – geen kredietverzekering was afgesloten ter zekerheid van de aflossing van de leningen aan Jama, [bedrijf 3] en HSM. Dit terwijl DBS2 Nederland in de IM de indruk wekt dat het bedrijfsrisico, en daarmee het beleggersrisico van de obligatiehouders, beperkt is omdat alle vorderingen die zij overneemt van haar factoringklanten zijn verzekerd bij een kredietverzekeraar die bij faillissement of wanbetaling 90% van de vordering uitkeert aan DBS2 Nederland.”
r.o. 4.19
“De factoringactiviteiten van DBS2 Nederland werden ingevolge de Factris-constructie sinds eind 2020 afgebouwd. Voor de obligatiehouders I werd pas begin 2024 duidelijk dat klanten van DBS2 Nederland sinds eind 2020 werden overgedragen aan Factris en dat DBS2 Nederland sindsdien geen nieuwe klanten meer wierf. [bedrijf 1] (een van de bestuurders en aandeelhouders van Jama) bleek een exclusieve brokerovereenkomst te zijn aangegaan met Factris. Deze hield in dat [bedrijf 1] uitsluitend nieuwe factoringklanten mocht aanbrengen bij Factris, en niet meer bij DBS2 Nederland. Dit terwijl de bestuurder van [bedrijf 1] , [gedaagde 1] , volgens de eigen stellingen van Bewi en [gedaagde 2] de drijvende commerciële kracht was binnen DBS2 Nederland voor het aanbrengen van nieuwe factoringklanten. Verder liepen de betalingen van factoringklanten niet meer rechtstreeks naar DBS2 Nederland, maar via [bedrijf 1] . Het op deze wijze overhevelen van de factoringactiviteiten van DBS2 Nederland was naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van DBS2 Nederland en in strijd met verplichtingen van DBS2 Nederland onder de obligatievoorwaarden. DBS2 Nederland was ingevolge artikel 12 sub g van de obligatievoorwaarden (waarin is bepaald dat sprake is van verzuim als DBS2 Nederland haar bedrijfsactiviteiten of een belangrijk deel daarvan staakt) in verzuim. Daarentegen had [bedrijf 1] bij de Factris-constructie een eigen financieel en commercieel belang.”
r.o. 4.22