Rechtbank Gelderland · 1 mei 2026
Schorsing sluitingsbesluit schoolbestuur; ouders geen belanghebbende ex artikel 2:8 en 2:15 BW
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een schoolbestuur (stichting) besluit een kleine basisschool te sluiten en weigert overdracht aan een door ouders opgerichte stichting. De voorzieningenrechter wijst de gevorderde schorsing af: er is geen wettelijke grondslag voor verplichte overdracht en het sluitingsbesluit is voorshands niet kwetsbaar. Ouders zijn als contractspartij van de stichting geen belanghebbende in de zin van de artikelen 2:8 en 2:15 BW en kunnen het besluit daarom niet op die grond laten vernietigen.
Kernoverwegingen
“Voor beantwoording van de vraag of het besluit van Groeisaam om de school te sluiten geschorst moet worden omdat Groeisaam in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren de school over te dragen, moet allereerst beoordeeld worden of het aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat Groeisaam gehouden is om, als zij de school zelf niet langer wil openhouden, deze aan De Sprong over te dragen. Daarom moet onderzocht worden of er enige wettelijke grondslag is op basis waarvan Groeisaam in een bodemprocedure verplicht kan worden om de school over te dragen aan De Sprong. Als die er niet is, is er geen grond om de vorderingen toe te wijzen omdat de school had moeten worden overgedragen aan De Sprong. Deze vraag zal hierna eerst beoordeeld worden (ro. 4.8 tot en met 4.14). Vervolgens zal beoordeeld worden of de vorderingen toegewezen moeten worden omdat Groeisaam, daargelaten de mogelijke overdracht aan De Sprong, in redelijkheid het besluit tot sluiting niet heeft kunnen nemen (ro. 4.15 tot en met 4.19).
De WMS biedt geen grondslag voor een verplichting tot overdracht”
r.o. 4.7
“Jegens de ouders heeft Groeisaam wel een zorgplicht. Volgens vaste rechtspraak moet het handelen van Groeisaam jegens de ouders worden beoordeeld naar de norm van hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam onderwijsinstituut mag worden verwacht. Het standpunt van De Sprong c.s. houdt in dat op basis van deze norm Groeisaam het door de ouders aangedragen verzoek om de school over te dragen aan De Sprong alleen mag weigeren op redelijke gronden. De zorgplicht van Groeisaam jegens de ouders gaat echter niet zover dat Groeisaam, zonder expliciete wettelijke grondslag, verplicht kan worden om de school over te dragen aan een door de ouders c.s. voorgedragen stichting. Ook hier geldt dat, anders dan De Sprong c.s. (kennelijk) stelt het wettelijke kader van de WMS en/of WPO niet leidt tot normering of invulling van het toetsingskader van het handelen van Groeisaam (lees: de weigering de school over te dragen) jegens de ouders c.s. Hoezeer invoelbaar is dat de ouders voor deze weigering geen begrip kunnen opbrengen en de impact van het sluiten van de school voor de ouders en het dorp Altforst zonder meer groot is, is dat niet een belang dat Groeisaam verplicht is te behartigen door de school over te dragen aan De Sprong. Deze verplichting ontstaat evenmin omdat Groeisaam op basis van haar eigen beleid (mede) wil bijdragen aan de leefbaarheid van dorpen/kernen door scholen zoveel mogelijk in stand te houden.”
r.o. 4.12
“Voor de vraag of een besluit op grond van artikel 2:15 BW vernietigd kan worden omdat het besluit is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist, geldt eveneens de norm of het besluit in redelijkheid genomen had kunnen worden. Voor zover de ouders c.s. zich hierop heeft willen beroepen, deze grondslag is door hen niet aangevoerd, geldt het volgende. In artikel 2:8 BW staat (lid 1) dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd en dat (lid 2) een tussen hen geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De vraag is of ouders in een rechtsbetrekking tot Groeisaam staan als in artikel 2:8 lid 1 BW bedoeld. Daarvoor is vereist dat zij krachtens de wet en de statuten bij Groeisaam zijn betrokken. Voor de ouder c.s. geldt dat zij als contractspartij van Groeisaam geen rechten ontlenen aan artikel 2:8 BW. Hen komt daarom geen beroep toe op artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Ook hier geldt dat een ander oordeel er mede toe zou leiden dat de positie van de medezeggenschapsraad, die wel rechten aan artikel 2:8 en 2:15 BW kan ontlenen, wordt ondermijnd.
Conclusie: de weigering van Groeisaam de school over te dragen is geen grond om de schorsing van het besluit tot sluiting van de school toe te wijzen omdat […]”
r.o. 4.13