Rechtbank Gelderland · 22 juli 2026
Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij toestemming schuldovername rekening-courantschuld; kennelijk onbehoorlijk bestuur afgewezen
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator in een faillissement spreekt de voormalig bestuurder aan op grond van artikel 2:248, 2:9 en 6:162 BW. De rechtbank verwerpt artikel 2:248 BW omdat het causaliteitsvermoeden is weerlegd door contante opnames van de nieuwe bestuurder. Wel is de bestuurder op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk, omdat zij lichtvaardig toestemming gaf voor overname van haar rekening-courantschuld door een onbekende koper; de schade is begroot op € 36.491,11.
Kernoverwegingen
“De publicatieplicht van artikel 2:394 BW houdt (kort gezegd) in dat het de verantwoordelijkheid van het bestuur van een rechtspersoon is dat de jaarrekening tijdig wordt gedeponeerd bij het handelsregister. De curator voert aan dat [de gedaagde in conventie] als bestuurder van TVK deze plicht heeft geschonden, aangezien de jaarrekening over 2020 op 1 april 2022 is gedeponeerd, de jaarrekening over 2021 op 19 september 2023 en de jaarrekening over 2022 op 16 december 2024. Hoewel [de gedaagde in conventie] niet weerspreekt dat deze jaarrekening niet tijdig zijn gedeponeerd, overweegt de rechtbank dat de jaarrekening over 2022 pas behoefde te worden ingediend toen [de gedaagde in conventie] niet langer indirect bestuurder van TVK was. Dit betekent dat het schenden van de publicatieplicht over het jaar 2022 [de gedaagde in conventie] niet kan worden verweten. Dit is anders voor de te laat gedeponeerde jaarrekeningen over 2020 en 2021. Deze zijn immers te laat gepubliceerd en voor het schenden van die publicatieplichten wordt vermoed dat [de gedaagde in conventie] haar taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld.”
r.o. 5.5
“Door [de gedaagde in conventie] is echter in voldoende mate weerlegd dat deze onbehoorlijke taakvervulling vermoed wordt een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat een belangrijke oorzaak van het faillissement de van buitenkomende oorzaak is dat [betrokkene] in een periode van 4 januari 2024 tot en met (ongeveer) februari 2024 een bedrag van € 120.350 contant heeft opgenomen. De curator heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Niet gesteld of gebleken is dat [de gedaagde in conventie] deze contante opnames heeft verricht of daarbij betrokken is geweest. Voor zover de curator heeft betoogd dat [de gedaagde in conventie] in de periode van de opnames nog bestuurder van TVK was en zij er onvoldoende aan heeft gedaan om de opnames af te wenden, overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat [de gedaagde in conventie] in de desbetreffende periode nog bestuurder dan wel feitelijke beleidsbepaler van TVK was. [de gedaagde in conventie] verrichtte op basis van een managementovereenkomst werkzaamheden voor TVK en was uit dien hoofde (onder meer) belast met het verrichten van girale betalingen. Gelet hierop valt niet in te zien hoe [de gedaagde in conventie] de contante opnames had dienen af te wenden. Omdat de curator niet voor het voetlicht heeft gebracht waarom het niet tijdig publiceren van de jaarrekening over de jaren 2020 en 2021, mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, zal de rechtbank het […]”
r.o. 5.6
“Voor bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. (Hoge Raad 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven). De rechtbank overweegt hierover het volgende.”
r.o. 5.10